Taaldenker wordt Taalverteller

Dit is mijn laatste post hier. Geen zorgen, beste lezer, ik stop niet met bloggen. Integendeel, ik ben van plan om nog productiever te worden. Maar niet meer hier.

Enkele maanden geleden bouwde ik mijn eigen website, waar ik een familienamensite onderbracht, een Atlas van de Nederlandse standaardtaal, recensies, een verhaal en nog veel meer taalspeelgoed. Die website groeide, en het stukje waarin ik mezelf als freelance vertaler en redacteur voorstel, geraakte geleidelijk aan ondergesneeuwd. Daarom heb ik de afgelopen week van 1 website er twee gemaakt. Eentje voor Webred (www.webred.be), waarin ik uitleg welke fantastische taaldiensten ik je kan leveren. En een tweede voor al mijn taalgedachten en taalverhalen: www.taalverhalen.be 

Mijn blog hoort thuis bij mijn andere taalverhalen. En twee blogs over hetzelfde onderwerp onderhouden, dat is alleen maar verwarrend. Daarom stop ik er hier mee, en ga ik verder op taalverhalen.be. Als je het hier leuk, tof, boeiend, interessant vond (of nog steeds vindt), dan nodig ik je van harte uit eens te komen snuffelen. Binnenkort zullen alle taaldenkerberichten daar ook te vinden zijn. Je zal je er zeker snel thuis voelen. En wil je op de hoogte blijven als ik weer eens een nieuw schrijfsel post? Schrijf je dan in op de gratis nieuwsbrief. Ik kruip met veel plezier een of twee keer per maand in je mailbox. Wil je me inschakelen als vertaler, redacteur, tekstcorrector, taalverhalenverteller? Spring dan eens binnen op www.webred.be

Tot gauw!

Advertenties

De Taaltelefoon op de helling

Tags

Nog niet zo lang geleden vertelde ik over mijn periode bij de Taaltelefoon. Gisteren las ik het nieuws dat de Taaltelefoon ‘op het hakblok ligt‘. Je kan je voorstellen dat ik flink geschrokken ben. Maar totaal onverwacht was het nieuws niet, helaas.

Tijdens de maanden dat ik er werkte, was er al een herstructurering aan de gang. Twee departementen worden samengevoegd, en dat betekent besparen. In de praktijk zijn er heel wat diensten afgestoten, uitbesteed of samengevoegd. De situatie van de Taaltelefoon was toen onzeker. Omdat de dienst per decreet is opgericht, kan ze niet zomaar worden afgeschaft. Maar uitbesteden kan in principe wel, en dat is net wat de secretaris-generaal (het hoofd van het departement), voor ogen heeft.

Dat klinkt goed, want dan verdwijnt de Taaltelefoon niet. Maar in de praktijk is het toch niet zo eenvoudig. De Taaltelefoon is immers geen bedrijfsrestaurant waar je een externe gerant in kunt zetten en toch de garantie behouden dat de dienstverlening optimaal blijft. Taaladvies, dat betekent kennis, expertise, knowhow. Op dit moment heeft geen enkele organisatie in Vlaanderen net die expertise in huis. Zelfs ik niet. Tot die ontdekking ben ik zelf gekomen nadat ik er 7 maanden gewerkt heb. Er zijn zeker bedrijven in Vlaanderen die taalexpertise hebben en taaladvies geven. Maar het gaat daar om een ander type dienstverlening. Je kan er je teksten laten doorlichten, hulp krijgen bij helder schrijven en workshops volgen. Maar wat die bedrijven niet doen, is losse, specifieke taalvragen beantwoorden. Meer nog, voor hun eigen lastige kwesties doen ook zij beroep op de Taaltelefoon. Of op de website van de Taalunie, taaladvies.net. Maar dat komt op hetzelfde neer. De taaladviseurs van de Taaltelefoon beantwoorden immers ook de (Belgische) vragen die via die website worden gesteld, en werken mee aan de opbouw van die site.

De Vlaamse overheid is per decreet verplicht een taaladviesdienst voor de burger in te stellen. Als ze die niet zelf organiseert, moet ze die financieren. Op dit moment is er een dienst die uitstekend werk levert en die het vertrouwen geniet van duizenden taalgebruikers, waaronder heel wat taalprofessionals. Dat vertrouwen en die expertise zouden verdwijnen bij een uitbesteding, en het zou jaren van investeringen vragen om weer op het huidige niveau te komen. Dat is allesbehalve een besparing.

Donderdag komt deze kwestie ter sprake in het Vlaams parlement. Politicus Bart Caron zal er minister van Cultuur Sven Gatz een vraag over stellen. Ik hoop van harte dat de minister zal inzien dat een uitbesteding van deze dienst helemaal geen besparing is. En dat de taalgebruiker hier niet op zit te wachten.

Meer over de werking van de Taaltelefoon nu: https://taaldenker.wordpress.com/2015/04/14/minder-vragen-voor-de-taaltelefoon/

Wetenschap en popularisering: een realistisch huwelijk?

Tags

Wetenschap versus popularisering

In het recentste nummer van het taaltijdschrift Over Taal stond een behoorlijk kritisch stuk van hoofdredacteur Filip Devos. Hij hekelt het gebrek aan concrete ondersteuning voor wetenschapspopularisering, toch een van de drie hoofdopdrachten van universiteiten en hogescholen (voor wie zich nu afvraagt welke de andere twee ook weer zijn: dat zijn uiteraard onderwijs en onderzoek). Toch blijft diezelfde overheid net hameren op die popularisering, het toegankelijk maken van onderzoeksresultaten voor het brede publiek. Taalonderzoeker Steven Delarue sluit zich hierbij aan: enerzijds wordt de onderzoeker vooral (bijna uitsluitend) beoordeeld op zijn wetenschappelijke output in vaktijdschriften, die op hun beurt volgens ‘belangrijkheid’ zijn gerangschikt. Ik val u hier niet lastig met de precieze onderverdeling, maar kort samengevat zit het zo: hoe internationaler (en dus Engelstalig) en gerenommeerder (specialistischer), hoe beter. Tijdschriften en publicaties die voor het brede publiek bedoeld zijn, maken zo geen schijn van kans op een hoge waardering. Vergelijk een tijdschrift als Nature met bijvoorbeeld Eos, en dan weet u ongeveer waar het over gaat. Het probleem is dus dat ook als wetenschappers zelf hun onderzoek heel graag met de buitenwereld willen delen, ze daarvoor binnen hun onderzoeksopdracht niet worden beloond. En als een onderzoeker al bedolven is onder het werk en/of het minder belangrijk vindt het eigen werk bekend te maken bij een lekenpubliek, wel, dan gebeurt het gewoon niet.

Niet nieuw

Nu is dit verhaal niet nieuw. Tijdens mijn carrière als wetenschappelijk medewerker aan de KU Leuven speelde dit bij elke projectaanvraag opnieuw. Ik werkte wel bij een a-typisch project: ik maakte (afleveringen van) wetenschappelijke dialectwoordenboeken. Te beschrijvend om ‘wetenschappelijk’ genoeg te zijn en om in aanmerking te komen voor een doctoraatsonderzoek, te academisch om gesubsidieerd te worden door een overheid. Ik heb acht jaar lang gewerkt dankzij allerlei subsidiepotten: Vlaamse overheid, provinciale overheden, FWO-Vlaanderen (Fonds Wetenschappelijk Onderzoek). Telkens met de belofte dat het ‘bijna klaar’ was en telkens opnieuw vertrekkend van een salaris voor een beginner. Na acht jaar was ik bijgevolg deeltijds in dienst. En wij (mijn collega’s en ik) deden veel meer dan puur gegevens verzamelen, dialectwoorden interpreteren en lemma’s schrijven. Wij beantwoordden brieven van mensen die uitleg vroegen over namen, begeleidden mensen die een lokaal dialectwoordenboek wilden schrijven, vergaderden met bestuursleden van dialectverenigingen, organiseerden infoavonden overdialecten, gaven lezingen over alle mogelijke onderwerpen die met naamkunde of dialecten te maken hadden, namen deel aan elk wetenschapsfeest en elke wetenschapsweek, stuurden drie-vier keer per jaar een ‘medewerkerscontact’ naar alle vrijwilligers die voor ons dialectenquêtes invulden, gaven al eens een radio- of tv-interview. Kortom: we valoriseerden ons te pletter. Want zo heette wetenschapspopularisering toen: ‘maatschappelijke valorisatie’. Heel belangrijk, vooral als de geldschieters overheden waren. Maar tegelijk moest het woordenboek natuurlijk wel gemaakt worden, wetenschappelijk onderbouwd zoals het hoort. En wij deden dat. Resultaat: de subsidie stopte kort voor de woordenboeken echt klaar waren. Het ging net niet snel genoeg. En we waren niet wetenschappelijk genoeg of net niet populariserend genoeg. Tien jaar geleden stopte ik als woordenboekredacteur, acht jaar geleden ging het redactielicht in de KU Leuven helemaal uit. Het laatste zusterproject, het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten, heeft met heel veel moeite nog een subsidie van de Taalunie te pakken gekregen om het WVD ten minste digitaal af  te werken. Ook weer met een flinke populariseringsbelofte (die ze overigens ook waarmaken: www.dialectloket.be). Einde project: december 2015. Wat daarna? Eén groot vraagteken.

Het probleem is dus zeker niet nieuw. Ik heb wel de indruk dat de tegenstelling academisch – populariserend in de praktijk alleen maar gegroeid is. Vijftien jaar geleden was die publicatiedruk bij de taalkunde immers lang niet zo hoog, en gold een artikeltje in een heemkundig tijdschriftje even goed als publicatie. En toch wil ik enkele kanttekeningen maken.

Intussen in Nederland

Sinds enkele jaren volg ik op de voet weer wat er zoal reilt en zeilt in de wereld van de taalvariatie, zowel in Nederland als in Vlaanderen. En ik ben jaloers op de Nederlanders. Want hoewel daar het probleem van gebrek aan overheidssteun en toch eis naar popularisering even groot (en misschien zelfs groter?) is, is er veel meer contact tussen de wetenschappelijke wereld en het brede publiek. Onze Taal is het grootste taaltijdschrift in ons taalgebied (duizenden abonnees), er is het wekelijkse radioprogramma de Taalstaat, er is de LOT-populariseringsprijs, enz. Wetenschappers als Marc Van Oostendorp, Jan Stroop, Leonie Cornips en Frits Van Oostrom publiceren regelmatig columns in dagbladen en tijdschriften en zijn bekend bij brede publiek. Tot in Vlaanderen toe.

Vlaanderen versus Nederland

Hoe doen die academici dat? Hoe komt het dat hun verhaal het grote publiek wel bereikt? Ik denk dat hier een aantal factoren een rol spelen. Ten eerste is taal in Nederland iets vanzelfsprekends, een even ‘beladen’ onderwerp als het milieu of het verkeer. En daarom is er ook meer oog voor allerlei aspecten van taal: taalspelletjes, nieuwe woorden, herkomst van woorden, groepstalen. Als je het in Vlaanderen over taal hebt, is het bijna altijd over normen: tussentaal, standaardtaal, spelling en hoe-slecht-het-in-het-onderwijs-gaat-met-taal. Dat schept een heel ander beeld van taal. Taal is moeilijk, streng en je kan maar beter zorgen dat het goed is. Ten tweede is er in Vlaanderen helemaal geen traditie in wetenschappers die zelf de stap buiten de universiteit naar het grote publiek zetten. Tuurlijk, ze laten zich interviewen over hun vakgebied, en ze werken graag mee aan krantenartikels of radio- en tv-programma’s als hen dat gevraagd worden. Maar ze nemen zelden zelf het initiatief om met hun kennis en hun onderzoek naar buiten te komen. En als ze het doen, zijn ze niet altijd in staat om hun boodschap te verpakken in een taal die dat brede publiek begrijpt. Academisch schrijven is immers helemaal iets anders dan populariserend schrijven en vertellen. En zo kom ik tot mijn ten derde. In Nederland heb je tussen de academische wereld en het brede publiek een soort tussenlaag. De redactie van het tijdschrift als Onze Taal bestaat immers niet uit academici, maar uit ‘gewone’ taalkundigen. Behalve copywriters en vertalers zijn er ook tekst- en taalbureaus die informatie geven over taal, taalevenementen organiseren (bijvoorbeeld het Drongofestival), schrijfworkshops geven. Je hebt mensen als Wim Daniëls, Paulien Cornelisse en Gaston Dorren, die van taal een leuke show en een boeiend verhaal maken. En er is een wisselwerking tussen de academische wereld, de tussenlaag en het brede publiek. Ze kennen elkaar, werken samen en spelen op elkaar in. Zo’n tussenlaag is er amper in Vlaanderen. Ondernemers, freelancers die de brug slaan tussen de academische wereld en het grote publiek. En die van taal een waardevol product maken.

Oh, ironie …

De ironie in Vlaanderen is dat net omdat wetenschappers populariserend werk doen (of proberen te doen) er geen nood lijkt aan die tussenlaag. Aan mensen en bedrijfjes die tegen vergoeding voor een groot publiek publiceren over taalonderzoek, of lezingen houden of evenementen organiseren. Waarom zou je er immers voor betalen als de academici het gratis doen? Het hoort nu eenmaal bij hun taak. Tot het project is afgelopen, het onderzoek is uitgevoerd, de subsidie stopt, en er geen academici meer zijn om die gratis diensten te leveren. Academici zijn geen vrijwilligers en zelden ondernemers. Als hun onderzoek is afgelopen en zij niet meer aan de universiteit verbonden zijn, stopt hun dienstverlening meestal ook. Ik heb nog nooit een taalkundige spin-off zien ontstaan. Zo dreigen er heel wat contacten en zelfs kennis verloren te gaan. En dat is jammer.

Wat nu?

Wij hoeven Nederland niet te kopiëren. Dat kan ook niet, het Vlaamse publiek is nu eenmaal het Nederlandse niet. Maar het zou goed zijn als academici iets meer ondernemerszin zouden tonen. Als ze wat meer zelf naar buiten zouden komen, meer samenwerking zouden zoeken met gelijkgestemden buiten de academische wereld. En vooral: als de subsidies niet komen, zelf andere manieren zoeken om aan de gang te blijven. Subsidies zijn een belangrijke bron van inkomsten, maar niet de enige. Met een beetje creativiteit moeten we toch in staat zijn een eigen tussenlaag te vormen, die de taalverhalen vertelt op maat van het Vlaamse publiek. Met een iets andere stijl, maar zeker even boeiend. Het zal niet makkelijk zijn. Maar deze freelancer is er alleszins klaar voor.

Minder vragen voor de Taaltelefoon?

Tags

,

Taaltelefoon krijgt steeds minder vragen‘, kopte deredactie.be enkele dagen geleden. Hoewel dat cijfermatig wel degelijk klopt, kan hier toch een verkeerde indruk ontstaan: is de Taaltelefoon dan steeds minder bekend, of zijn mensen misschien minder begaan met taal? En als je die redenering helemaal doortrekt: is die Taaltelefoon dan nog wel nodig? Daarom lijkt me een beetje duiding geen overbodige luxe.

Om te beginnen: de Taaltelefoon krijgt nog steeds telefoon. Minder dan in zijn beginperiode, maar het gebeurt nog steeds elke dag. En dat gegeven op zich is al opvallend in tijden van google en mail. Het bewijst dat er nog steeds mensen zijn die bereid zijn te bellen met een taalvraag. Niet zo evident, want eigenlijk maak je zo een ‘zwakte’ (je weet iets niet in verband met taal) bekend, zonder vooraf te weten wie je aan de lijn zult krijgen en hoe die zal reageren. Dat die schroom vaak aanwezig is, merkte ik aan voorzichtige inleidingen als ‘ik heb een klein taalvraagje, kan ik dat stellen?’ of ‘het is misschien wel een domme vraag’, of een verantwoording als ‘we hadden een discussie en nu wilde ik toch graag weten…’. Er komen wel meer vragen via e-mail binnen, maar de telefoon blijft toch vrij populair.

Dat er meer via mail wordt gevraagd dan via de telefoon verklaart wel iets, maar niet dat het aantal vragen in zijn geheel afneemt. Dus toch minder interesse in taal? Niet noodzakelijk. Want hoe ga je tegenwoordig te werk als je iets wil weten? Je googelt. Je zoekt op internet. En als je je antwoord vindt, dan ben je tevreden en ga je niet nog eens iemand bellen of mailen. En dat is net de belangrijkste reden voor de afname van die taalvragen.

Sinds 2006 staat de Woordenlijst van de Nederlandse taal, beter bekend als het Groene Boekje, immers online. Toen die site bekender werd, nam het aantal vragen in verband met spelling spectaculair af. Waar men in de beginjaren nog geregeld belde om te weten of je ‘product’ met een c of met een k schrijft, gebeurt dat nu niet meer. Het is niet meer nodig. Daar heb je immers de online Woordenlijst voor. Alleen spellingkwesties die je niet even snel op woordenlijst.org kunt opzoeken, komen nog bij de Taaltelefoon terecht.

De taaladvieswebsite van de Taalunie, taaladvies.net, is de tweede belangrijke site die vragen beantwoordt zonder dat je ze expliciet aan iemand moet stellen. De site bestaat sinds 2003, en wint nog steeds aan bekendheid. Aangezien ze ook voortdurend wordt bijgewerkt en aangevuld, vinden ook steeds meer mensen hier een antwoord op hun taalvraag. Maar een site schrijft zichzelf niet. Degene die deze adviezen onderzoekt en schrijft, werkt in Brussel, en overlegt tijdens het schrijven regelmatig met haar collega’s. En dat zijn de mensen van de Taaltelefoon.

Tenslotte is er de website van de Taaltelefoon zelf. Sinds 2011 bevat die een alfabetische lijst met veelgestelde vragen. Als je je dus afvraagt of je ‘erop’ aaneen moet schrijven of los, hoef je niet te weten dat dat een voornaamwoordelijk bijwoord is. Onder de ‘E’ vind je het immers zo. De adviezen op taaltelefoon.be zijn grotendeels gebaseerd op taaladvies.net en ze komen er ook mee overeen, maar ze zijn volgens een ander principe opgesteld. Waar taaladvies.net uitgebreide achtergrondinformatie geeft en onder een bepaald advies ook andere, gelijkaardige kwesties behandelt, werkt taaltelefoon.be volgens het principe 1 vraag – 1 antwoord. Wie dus snel een antwoord wil weten op een specifieke vraag om verder te kunnen, vindt daar meestal snel wat hij zoekt. Ook deze site komt er niet vanzelf. Ze wordt voortdurend aangevuld door de mensen van de Taaltelefoon zelf. De site heeft eind vorig jaar nog een facelift gekregen, waardoor de adviezen nog gemakkelijker via google te vinden zijn. En opnieuw: hoe sneller mensen hun vraag via google beantwoord krijgen, hoe minder vragen ze zelf stellen via mail of telefoon. De bezoekersaantallen voor de site zijn hoog, en zitten nog steeds in stijgende lijn. Pittig detail: de nieuwe site bevat ook een contactformulier, dat onmiddellijk in de mailbox van de Taaltelefoon terecht komt. Dat was voordien niet het geval. De mails die de Taaltelefoon toen beantwoordde, kwamen uitsluitend van taaladvies.net. Sinds het contactformulier er is, wordt de Taaltelefoon opvallend vaak via die weg gecontacteerd.

In het overzicht van de cijfers die deredactie.be geeft, staat vooral informatie over het aantal mensen dat zelf contact opneemt met de Taaltelefoon. En dat wekt inderdaad de indruk dat er minder vragen zijn. Als je de bezoekerscijfers van de drie bovenstaande website meerekent, zie je net het omgekeerde beeld. Elk van deze sites wordt miljoenen keren bezocht per jaar, en de cijfers zitten in stijgende lijn. Er zijn dus zeker niet minder vragen. Ze worden alleen op een andere manier beantwoord.

Taaltelefoon: dat was het dan

Tags

,

Zo, het zit erop. Mijn dagen bij de Taaltelefoon zijn geteld. Of toch zo goed als: ik heb nog twee verlofdagen in het vooruitzicht (maandag en dinsdag), en dan is het ook officieel afgelopen. De ene kersverse mama is immers al sinds januari weer aan het werk, de andere komt volgende week terug. Van voltijds mama naar mama aan het werk. Ze zullen het wel voelen.

Voor mij betekent dit het einde van een intensieve, leerrijke en ingrijpende periode. In juni zag ik de vacature voor een medewerker bij de Taaltelefoon en begin juli vond ik de moed om te solliciteren. Ik had al het gevoel dat ik op een tweesprong stond, en dat de tijd rijp was om eens iets anders te doen dan het vertaalwerk dat ik intussen al zeven jaar deed. Wie niet waagt, niet wint, natuurlijk. Toch was ik verrast toen ik werd uitgenodigd voor een gesprek. Mijn laatste solliciteerervaring dateerde immers van jaren geleden, en zo positief was die niet. Er was nog 1 probleem: de twee voorgestelde data voor het gesprek vielen net tijdens onze twee weken vakantie. En nee, daar viel niets aan te veranderen. Dus namen we een drastische beslissing: ik zou mijn vakantie inkorten en enkele dagen eerder naar huis vliegen, man en kinderen zouden de autorit van 1300 kilometer terug onder hun drietjes maken. In de hoop dat het wat zou opleveren.

Dat was ook zo. Woensdagnamiddag kwam ik thuis, donderdagochtend ging ik naar Brussel voor het sollicitatiegesprek, donderdagmiddag kreeg ik telefoon dat ik de job had. Wel, dat ging snel. En dat betekende een drastische verandering voor de komende zeven maanden.

Die zeven maanden zijn nu dus voorbij. Ik heb veel gezien en gehoord, veel naslagwerken leren kennen, geleerd over welke taalvragen mensen zich zoal het hoofd breken en dat taal toch vaak aanleiding is voor familiediscussies en weddenschappen. Ik heb een tiental heel vervelende tot ronduit boze en diep beledigde mails gelezen, die in het niet verzonken bij de letterlijk honderden vriendelijke bedankmails en tientallen tevreden mensen aan de telefoon. Ik heb leren spelen met een pracht van een interne databank (die ga ik ècht missen!), en ben over mijn telefoonvrees heen (ok, dit is een bekentenis voor mijn collega’s: ik had wel degelijk telefoonvrees. Maar dat vertel je niet op een sollicitatiegesprek voor de Taaltelefoon 🙂 ). Ik heb mogen ontdekken hoe taaladviezen in het echt tot stand komen: door oude adviezen te bekijken, naslagwerken te raadplegen, bij collega’s te rade te gaan. Ik heb kranten uitgeplozen op zoek naar nieuwe, relevante woorden. Ik heb bondig en helder leren schrijven voor een ruim publiek (ja, dat was inderdaad nodig). En vooral: ik heb een groep heel ervaren, gedreven, professionele en vooral lieve mensen leren kennen. Mensen die helemaal niet taalpolitiegewijs klaar staan om iedereen die een verkeerd woord gebruikt op de vingers te tikken. Het doel van de Taaltelefoon is immers advies geven en mensen verder helpen, en daar slagen ze dankzij die combinatie van vakkennis en publieksgerichtheid vrijwel altijd in.

Naast het gewone werk (telefoons en mails beantwoorden, de wekelijkse nieuwsbrief schrijven, de website up-to-date houden) zijn er ook nevenprojecten waaraan de Taaltelefoon haar medewerking verleent. Tijdens de zeven maanden die ik er werkte waren dat de eigen campagne naar aanleiding van de nieuwe website en het 15-jarig bestaan, de taaladviesrubriek van Taalunie:Bericht, de deelname aan het standaardtaaldebat op de Boekenbeurs, de voorbereiding van het boekje ‘Hoe Vlaams is uw Nederlands’ bij De Standaard en het project Heerlijk Helder van radio 1/Hautekiet. Bovendien ondersteunt de Taaltelefoon de medewerkster van de Taalunie die de website taaladvies.net van nieuwe adviezen voorziet. Ik was niet bij alles even betrokken, maar wel bij de meeste projecten. Net zoals mijn collega’s, want zoals ik al zei, er is veel onderling overleg. Je staat er dus ook nooit alleen voor. Voor een eenzame freelancer als ik was dat wel even wennen.

Ik kan nog wel even doorgaan over deze periode. Ik heb aan mooie dingen kunnen meewerken, en ik heb mijn deel van de ergernissen gehad. En gelukkig kon ik tijdens die hele periode blijven vertalen. Heel beperkt weliswaar, maar elke maand had ik wel enkele kleine projectjes. Dat maakt dat ik nu niet helemaal met lege handen sta.

Vanop een afstand had ik soms mijn twijfels bij de manier waarop taaladviesdiensten te werk gaan. Nu ik zeven maanden lang meegedraaid heb achter de schermen, zijn veel van die bedenkingen verdwenen of afgezwakt. Tijdens de heisa na het boekje van De Standaard heb ik vaak gedacht ‘Zo zou ik vroeger misschien ook gereageerd hebben’, terwijl ik nu beter weet. Er is volgens mij ruimte voor verbetering, maar wel op een andere manier dan ik eerst dacht.

Voor de toekomst ben ik van plan wat ik de afgelopen maanden geleerd heb te verwerken voor mijn nieuwe website. Ik plan binnen niet al te lange tijd een onderdeeltje over bronnen op het net, waarin ik onder meer de websites van de taaladviesdiensten van wat duiding en achtergrondinformatie zal voorzien. Wordt vervolgd, dus.

Beste collega’s van de Taaltelefoon, ik zal jullie missen. En stiekem hoop ik een beetje dat jullie mij ook zullen missen. Tot bij een volgende gelegenheid!

Nieuwjaarsborrel NL-Term

Afgelopen vrijdag hield NL-term haar nieuwjaarsreceptie, of nieuwjaarsborrel, zoals de Nederlanders het noemden. NL-term is de vakvereniging voor iedereen die met terminologie te maken heeft: onderzoekers, terminologiebeheerders, vertalers, enz. Tijdens deze receptie presenteerde het Steunpunt Nederlandstalige Terminologie ook drie websites waaraan het al enkele jaren in opdracht van de Taalunie werkt: de TermTreffer, de TermBeheerder en de TermWerker. Ik had zelf wel eens van de eerste twee gehoord, maar ik wist toch niet precies wat ik kon verwachten.

De eerste presentatie ging over de TermTreffer. De presentatie zelf was een rommeltje: ze gebeurde volledig online, in een gebouw met een trage internetverbinding, en de spreker kende de pc waarop hij werkte niet voldoende. Het gevolg is dat ik me de hele tijd heb zitten afvragen waarvoor ik die TermTreffer in de praktijk eigenlijk zou kunnen gebruiken. De TermTreffer is een website waarop je documenten in allerlei formaten kunt opladen, en waaruit dan via analyse een terminologielijst wordt geëxtraheerd. Hoe, dat werd niet helemaal duidelijk. Je kan nadien allerlei dingen met die lijst doen, maar in se is het dus dat: je hebt een lijst termen op basis van een bestand. Je kan die lijst wel weer exporteren in een termbasevriendelijk formaat. Als losse website zie ik er persoonlijk niet veel meerwaarde in.

De tweede presentatie, die een stuk degelijker en duidelijker was, ging over de TermBeheerder. Dat is een andere website, waar je terminologielijsten in kunt opladen en beheren. Beheren betekent: van allerlei labels voorzien. Die labels geven informatie over de bruikbaarheid van de term: tot welk register behoort hij, tot welk vakgebied, tot welke taal enz. In tegenstelling tot de TermTreffer die specifiek voor het Nederlands is ontwikkeld, staat TermBeheerder open voor alle mogelijke talen. De terminologielijsten kunnen via TermBeheerder ook gedeeld worden, in eigen beheer blijven en geëxporteerd worden naar databanken en termbases. TermBeheerder is sinds 1 februari online in een betaversie voor een beperkt testpubliek. Vanaf 1 april zou de site beschikbaar moeten komen voor het grote publiek.

De derde presentatie ging over een extraatje: de TermWerker. Dat is een website waar mensen die een bepaalde terminologie beheersen en mensen die die kennis zoeken elkaar kunnen vinden. Het is een soort Marktplaats voor terminologen. De website is gegroeid vanuit een behoefte die werd aangevoeld door de ontwikkelaars van TermTreffer en TermBeheerder om de mensen met een bepaalde vakkennis samen te brengen met de mensen die op zoek zijn naar die specifieke vakkennis. Helaas is er geen controlemechanisme in de site ingebouwd, waardoor ook mensen met minder nobele bedoelingen zich gemakkelijk op de site kunnen aanmelden. De ervaring met gelijkaardige marktplaatsen voor vertalers leert echter dat dat in deze sector helemaal geen overbodige luxe is.

Al met al had ik gemengde gevoelens na de presentaties van Crosslang, het bedrijf dat de drie websites in opdracht van de Taalunie heeft ontwikkeld. De TermBeheerder lijkt me nog het interessantst. Het is alleen jammer dat we moeten wachten tot 1 april om te weten of de site de verwachtingen kan inlossen.

Parlementaire hoorzitting: het gebruik van standaardtaal in media en politiek

Vandaag hield de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie een hoorzitting over het gebruik van de standaardtaal in media en politiek. Aanleiding was de petitie Nederlands Vanzelf Sprekend, die enkele maanden geleden aan de Taalunie werd overhandigd en waarin werd gepleit voor de zorg voor de taaleenheid van het Nederland. De Taalunie uitte toen de intentie om met de betrokken partijen te overleggen hoe de standaardtaal zo optimaal mogelijk kan worden benut. Deze hoorzitting maakt deel van dat overleg.

Het programma bestond uit twee delen. Het eerste stuk ging over het gebruik van standaardtaal in de media, het tweede over het gebruik van standaardtaal in de politiek. Telkens zou er eerst een presentatie van een Vlaamse en een Nederlandse taaladviseur zijn, daarna zou een Vlaams en een Nederlands parlementslid hierop reageren en ten slotte zou er een debat volgen met de sprekers, de parlementsleden en het publiek. De hoorzitting duurde in het totaal 2,5 uur. Er werd veel werd gepraat, weinig gevraagd en nog minder gedebatteerd. Het klassieke verloop dus van zowat elk debat over de standaardtaal. Daarom geef ik hier geen volledig verslag van deze hoorzitting, maar beperk ik me tot enkele persoonlijke vaststellingen. Het debat zelf kan je hier in zijn geheel opnieuw bekijken en beluisteren.

Ik som eerst even de clichés op die ook vandaag weer aan bod kwamen:

  • De standaardtaal is de enige norm en die moeten we absoluut altijd en overal nastreven.
  • Het Nederlands drijft uit elkaar omdat wij (Vlamingen) niet meer naar Nederlandse zenders kijken (dat werd weerlegd door de mededeling dat Nederlanders net wel vaker naar Vlaamse zenders kijken).
  • Op tv en radio is er minder aandacht voor de uitspraak (en dus de standaardtaal). De taal klinkt slordiger.
  • Er is te veel tussentaal op de tv, hoewel de VRT een voorbeeldfunctie heeft. Ook in de fictie zou meer standaardtaal moeten zitten.
  • Politici hebben een voorbeeldfunctie, maar wat spreken ze toch slordig!
  • Leerkrachten hebben te weinig aandacht voor het Nederlands, en wat spreken ze toch slordig!
  • We begrijpen elkaar niet meer als we geen zorg dragen voor het Nederlands.
  • We gebruiken te veel leenwoorden, ook waar we goede erfwoorden hebben. Bijvoorbeeld ‘expert’ in plaats van ‘deskundige’, ‘simpel’ in plaats van ‘eenvoudig’ en ‘moment’ in plaats van ‘ogenblik’.
  • Nederlanders zijn minder met hun taal begaan dan Vlamingen. (weerlegd door een Nederlandse uit het publiek, die duidelijk maakte dat er net heel wat aandacht is voor helder en duidelijk formuleren in het Nederlands.)

Deze meningen waren over het algemeen afkomstig uit het publiek, sommige ook van de twee Vlaamse parlementsleden die reageerden op de presentaties van de taaladviseurs en die allebei een verleden als VRT-presentator hebben. Jammer genoeg waren er geen Nederlandse parlementsleden aanwezig. Spijtig was ook dat er weinig echte vragen werden gesteld. De meeste mensen uit het publiek die aan het woord kwamen, wilden vooral ‘meningen’: hun visie verkondigen en gehoord worden. De zeldzame vragen die werd gesteld, geraakte niet beantwoord, omdat er geen tijd meer was om het panel te laten antwoorden. Jammer, maar ook dat is niet helemaal onverwacht.

Toch kon ik tussen de stroom aan meningen, visies en inzichten toch enkele interessante dingen noteren.

  • Het verschil tussen de openbare omroep in Vlaanderen (VRT) en Nederland (NOS) als het gaat over taal op radio en tv. De VRT heeft een voorbeeldfunctie en bouwt mee aan de standaardtaal, terwijl de NOS zich net richt op het dagelijks taalgebruik van zijn publiek. Beide omroepen streven naar helder en duidelijk taalgebruik, maar het vertrekpunt verschilt duidelijk.
  • Een gelijkaardig verschil is er tussen de taaladviseur van het Vlaams Parlement en de medewerker Verslag en Redactie van de Nederlandse Tweede Kamer. De taaladviseur waakt er onder meer over dat er geen niet aanvaarde Belgisch-Nederlandse woorden en uitdrukkingen in de wetgevende teksten terechtkomen, terwijl Nederland gewoon geen taalbeleid heeft. De verslagen van de hoorzittingen van de Tweede Kamer moeten in de eerste plaats – opnieuw – helder, begrijpelijk en leesbaar zijn. Dat ze in standaardtaal zijn opgesteld, is zo vanzelfsprekend dat het gewoon geen issue is.
  • De pleidooien voor het Standaardnederlands zijn minder zwart-wit dan ze twintig jaar geleden waren, en soms nog steeds zijn. Elke spreker maakte duidelijk dat elke taalvariant zijn bestaansrecht heeft, zelfs tussentaal / Verkavelingsvlaams. En hoewel de Taalunie dat standpunt al meer dan tien jaar huldigt, is het nog niet zo lang doorgedrongen tot dit soort debatten. Nu levert het wel nog vrij warrige pleidooien op, net omdat de openheid voor variatie botst met het grote belang dat nog steeds aan een uniforme, ‘zuivere’ standaardtaal wordt gehecht.
  • Het cliché dat het slecht gesteld is met de taal en taalvaardigheid van jongeren werd twee keer weerlegd. Eén keer gebeurde dat door Reinhild Vandekerckhove, die stelde dat de spreekangst waar studenten twintig jaar geleden nog last van hadden, intussen plaats heeft gemaakt voor een grotere mondigheid. Als een van de oorzaken noemde ze net de toegenomen tolerantie voor variatie binnen de standaardtaal.
  • Een bewijs van die toegenomen mondigheid hadden we een uurtje eerder al gekregen. Een van de aanwezige jongeren uit het publiek nam het woord na een uitgebreid pleidooi voor het gebruik van erfwoorden in plaats van leenwoorden (geen ‘expert’ maar ‘deskundige’). ‘We leven in een meertalig land, er wordt Frans, Engels, Duits gesproken. Dan is het toch normaal dat we bij elkaar lenen?’ Het meisje sprak met een Frans accent en ze had wat moeite om haar punt duidelijk te maken, maar dat belette haar niet het woord te nemen.

Conclusie: van een debat was er – opnieuw – geen sprake. Gedeeltelijk omdat er geen ruimte bleef om de gestelde vragen te beantwoorden, gedeeltelijk omdat mensen die het woord namen liever hun visie wilden benadrukken dan vragen te stellen. Een keer voorbij de clichés waren er toch heel wat tekenen te merken van een veranderende houding tegenover de standaardtaal. Er is een grotere openheid voor variatie binnen de norm, men weet alleen nog niet goed hoe dat te rijmen valt met het ‘oude’ beeld van de uniforme standaardtaal. De focus verschuift ook in Vlaanderen stilaan naar helderheid, begrijpelijkheid en de juiste variant naargelang de omstandigheden. Mijn indruk is dat het noorden en het zuiden net in die focus op helderheid en begrijpelijkheid naar elkaar toe groeien. En zolang we hierbij open staan voor elkaars eigenaardigheden, is is volgens mij een goede zaak.

Voor een ander verslag kan je terecht op de blog van Steven Delarue.