Het grote Woorden-van-het-jaaroverzicht

Tags

, , ,

Het einde van het jaar nadert, en dus is het weer tijd om op het bijna afgelopen jaar terug te blikken. Dat gebeurt aan de hand van terugblikken, lijstjes, quizzen en … verkiezingen van allerhande ‘Woorden van het jaar’.

Hoewel de woordenwedstrijden als paddenstoelen uit de grond schieten, blijken ze vrijwel allemaal heel populair te zijn. Mensen vinden het leuk om de lijstjes te bekijken en hun favoriet te kiezen, en sommige wedstrijden lokken zelfs stevige discussies uit. Net vanwege dat gegarandeerde instant succes worden ze vaak ook georganiseerd: een jaarlijkse woordenlijster is een uitgelezen manier om je als organisatie of uitgeverij een keer per jaar gedurende een flinke periode (van startschot tot de bekendmaking van de winnaar) in de kijker te werken. Nu, niet iedereen die met een wedstrijd komt, doet dat om zichzelf in de belangstelling te zetten. Sommige initiatieven ontstaan ook gewoon uit fascinatie, of omdat het leuk is.

Omdat het een heel gepuzzel is om al die wedstrijden en lijstjes zelf te vinden, heb ik het gewoon even voor jou gedaan. Hier volgt de Lijst der Woordenlijstjes: het grote Woorden-van-het-jaaroverzicht!

Van Dale

Van Dale is niet zomaar een woordenboek. Van Dale is het belangrijkste referentiewerk als het over de Nederlandse woordenschat gaat. En dus organiseren zij niet 1, maar 2 verkiezingen voor het Woord van het Jaar: een in Nederland en een in België. De winnaars voor 2014 zijn dagobertducktaks (NL) en flitsmarathon (BE). De volledige uitslag en de winnaars van de vijf deelcategorieën vind je hier (NL) en hier (BE).

Kinderwoord van het jaar

In België organiseert de kinder- en jongerenzender Ketnet de verkiezing van het kinderwoord van het jaar. De jonge kijkers kozen zelf hun favoriete woord uit een lijstje van vijf. Het Kinderwoord 2014 is OMG. Het filmpje over het resultaat van de verkiezing staat hier.

Onze Taal

Uiteraard doet de grootste taalorganisatie van het taalgebied, het Genootschap Onze Taal, ook mee. Ze organiseert haar eigen Woord-van-het-Jaarverkiezing. Deze wedstrijd loopt nog tot en met 26/12. Op 27/12 wordt de winnaar bekendgemaakt. U kunt dus nog meestemmen: https://onzetaal.nl/kies-het-woord-van-2014.

Anglicisme van het jaar

Het duo Sterre Leufkens en Marten Van der Meulen, beter bekend als Milfje Meulskens, organiseerde voor het tweede jaar op rij de verkiezing van het anglicisme van het jaar. Zo willen ze de discussie over verengelsing en over leenwoorden in het algemeen een andere insteek geven. Het anglicisme 2014 is flabbergasted. De andere kandidaten en het opzet van de verkiezing ziet u hier.

Vaagtaal

Het tekstbureau Tekstridder trekt al jaren ten strijde tegen vaagtaal. De ridders Arjen Ligtvoet en Cathelijne de Busser omschrijven dit verschijnsel als volgt: ‘Vaagtaal bestaat uit woorden en uitdrukkingen die onduidelijk, dubbelzinnig, misleidend, overbodig of storend zijn. Vaagtaal is taal die verleidt, misleidt, verwart en voor ergernis zorgt’. Met de nodige humor verzorgen ze sinds dit jaar een blog over vaagtaal, en koppelden ze er meteen een verkiezing aan. De Vaagtaalverkiezing 2014 werd gewonnen door kwaliteitsvenster. De rest van het lijstje vind je hier.

Weerwoord

Meteogroep is een Europese privéonderneming op het vlak van weersvoorspelling, met vestigingen in verschillende Europese landen. Blijkbaar heeft deze onderneming ontdekt dat als je in Nederland aandacht wil trekken, een woordverkiezing wel een handig middel is. Samen met Omroep Gelderland organiseerde ze de verkiezing van het weerwoord van het jaar. De winnaar is knijpzonnetje. Hier vind je het hele verhaal.

Weg met dat woord

Het Instituut van de Nederlandse Lexicologie pakt het een beetje anders aan. In plaats van een verkiezing voor een favoriet woord, vraagt het Instituut de taalgebruiker om de woorden te nomineren die uit de taal zouden mogen verdwijnen, omdat ze ergernis opwekken, overbodig zijn, een negatieve lading dekken, … Het woord dat deze verkiezing in 2014 gewonnen, of beter verloren heeft, is oudjes. De volledige uitslag is hier te vinden.

Slechtste slogan

De verkiezing van de slechtste slogan is een initiatief van twee Nederlandse tekstschrijfsters, Christine Liebrecht en Tefke Van Dijk. Zij doen dit niet zozeer uit ergernis, maar uit fascinatie voor het verschijnsel. De slechtste slogan van 2014 werd Een timmer timmert, een tandarts boort… maar wij zitten lekker in Velsen Noord, het hele lijstje vind je hier.

De woordenwedstrijd van de Taaltelefoon

Deze wedstrijd valt eigenlijk buiten het bestek van dit verhaal, omdat het geen woord-van-het-jaarverkiezing was. De Taaltelefoon heeft namelijk in november, naar aanleiding van zijn 15de verjaardag, een woordenwedstrijd georganiseerd, waarbij gekozen kon worden voor het favoriete woord van de week van de afgelopen 15 jaar. ‘Woord van de week’ is een van de vaste rubrieken in Taallink, de elektronische nieuwsbrief van de Taaltelefoon. De winnaar was accordeonfile. Een overzicht van alle woorden van de week vind je hier. De shortlist van de wedstrijd hoor je hier.

Mocht je nu denken dat wij Nederlandstaligen een patent hebben op woordenwedstrijden en -verkiezingen, dan heb je het mis. De eerste woord-van-het-jaarverkiezingen werden georganiseerd door Amerikaanse taalverenigingen en woordenboekuitgevers. En ook in het Duitse en het Franse taalgebied doet men aan jaarlijkse woordenlijstjes. Een opsomming van words, mots en Wörter van het jaar volgt in een volgende blogpost.

Advertenties

Kroost

De meest opvallende variatie in een taal is die in uitspraak en woordenschat. Een half woord, meer heb je doorgaans niet nodig om te horen of je gesprekspartner van boven of onder de rijksgrens afkomstig is. Tijdens een kort gesprek kom je ongetwijfeld ook tot de ontdekking dat die gesprekspartner ‘van over de rijksgrens’ bepaalde dingen anders noemt.

[Dit artikel is verhuisd naar www.taalverhalen.be]

De vork en de steel

Enkele dagen geleden kreeg ik in mijn functie van telefonist bij de Taaltelefoon een vraag binnen die mij zelf intrigeerde: ‘Wat is correct: Zo zit de vork aan de steel of Zo zit de vork in de steel?’ Ik twijfelde zelf, zocht het op in de gebruikelijke naslagwerken en gaf als antwoord dat Zo zit de vork in de steel de correcte versie was.

DEZE TEKST IS OP -08-2016 verplaatst naar http://taalverhalen.be/taalonderzoek/zit-vork-aan-steel/

 

Het standaardtaaldebat op de Boekenbeurs

Gisterenavond organiseerden de krant De Standaard, Radio 1 en de K U Leuven het standaardtaaldebat naar aanleiding van het onderzoek dat zij in september hadden gevoerd naar de attitude van taalprofessionals tegenover het ‘Vlaams’ in de Nederlandse standaardtaal. ‘Vlaams’, in de zin van ‘Belgisch Nederlands’. Niet in de zin van ‘tussentaal’ of ‘de verzamelnaam voor de dialecten in de provincies West- en Oost-Vlaanderen.’ Er werd onderzocht in welke mate uitdrukkingen die op deze manier regionaal beperkt in gebruik zijn toch als standaardtaal aanvaard worden door de Vlaamse taalprofessionals. Het resultaat van dit onderzoek was toch vrij verrassend: bijna 60% van de taalprofessionals vond van op zijn minst een groot aantal van de onderzochte woorden en uitdrukkingen dat ze zonder problemen in deze media gebruikt konden worden. Ze werden met andere woorden als voldoende neutraal en dus standaardtalig beschouwd.

Naar aanleiding van het debat selecteerden De Standaard en Radio 1 een aantal zinnen uit deze test en legden ze als zelftest voor aan hun lezers en luisteraars, onder de titel: ‘Hoe Vlaams is uw Nederlands?’ Opnieuw was de kernvraag: kunnen deze woorden volgens u in kranten en in het tv-journaal? Op het moment van het debat hadden al 140.000 mensen deze test gemaakt. Je kan dus op zijn minst stellen dat het debat leeft. En dat bleek ook gisterenavond.

Door tijdsgebrek bleef het debat uiteindelijk beperkt tot een panelgesprek. Er was geen tijd meer voor vragen uit de zaal. De leden van het panel waren Mia Doornaert (journaliste), Siegfried Bracke (voormalig journalist en huidig kamervoorzitter), Dirk Caluwé (hoofd van de Taaltelefoon), Sara Van Hoof (taalwetenschapper) en Marc Reugebrink (Nederlandse auteur die al 15 jaar in België woont). Het debat werd gemodereerd door radiopresentator Jan Hautekiet.

Alles bij elkaar verliep het debat wel geanimeerd, maar het oversteeg uiteindelijk de clichés niet. De aandachtige toehoorder kon op het einde twee conclusies trekken: 1) hoewel de vrees hiervoor leeft, pleit niemand voor het loslaten of afschaffen van een genormeerde Nederlandse standaardtaal en 2) in Nederland is de vraag hoe de standaardtaal in Vlaanderen eruit ziet (of mag zien) helemaal geen issue. Ik verklaar dit even.

Geen taalnorm?

Niemand pleit inderdaad voor het afschaffen van de taalnorm als hij stelt dat woorden en uitdrukkingen die ten zuiden van de rijksgrens gebruikelijk zijn tot de standaardtaal kunnen behoren. Het verschil met enkele decennia geleden ligt in het begrip ‘standaardtaal’ zelf. Waar deze taalnorm lang eenduidig en monocentrisch is geweest (‘de norm ligt in het noorden, met de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag als kernregio’), wordt steeds beter geaccepteerd dat er binnen deze norm een beperkte variatie mogelijk is. Deze variatie kan te maken hebben met registers (formeel, neutraal, informeel), maar die kan ook geografisch zijn. Met andere woorden: het idee dat een woord vooral of zelfs uitsluitend in België of in Nederland gebruikelijk is, botst niet langer met het begrip standaardtaal. Dat betekent niet automatisch, zoals heel wat mensen toch vrezen, dat ‘de sluizen open staan’ voor alle mogelijke regionale en dialectische verschijnselen. Een belangrijk aspect van standaardtaal is namelijk dat ze door een groot deel van de taalgemeenschap ook aanvaard wordt als neutraal (niet archaïsch of regionaal gekleurd, geen vak- of groepstaal). Dit zijn geen nieuwe criteria. Nieuw is dat het begrip ‘taalgebied’ anders begrepen wordt. Het idee dat Vlaanderen en Nederland samen één groot taalblok vormen, is onrealistisch gebleken. Het Nederlandse taalgebied is ook niet het enige waarbinnen geografische variatie in de standaardtaal aanwezig en (min of meer) aanvaard is. Ook in het Engels, het Frans, het Spaans, het Portugees en het Duits zit die variatie. De acceptatie ervan verschilt wel naargelang het taalgebied. Zo is men in Duitsland bijvoorbeeld een stuk toleranter dan in Frankrijk. Het idee dat het erkennen van geografische variatie gelijk staat met het afzweren van alle taalnormen, met algemene chaos en onverstaanbaar tot gevolg leeft echter nergens zo sterk dan in Vlaanderen, is mijn indruk. In andere taalgebieden wordt er ook wel eens over gediscussieerd en geklaagd dat het met de standaardtaal niet zo best gaat en dat met name jongeren slordig met hun taal omspringen, maar het voert zelden tot zulke verhitte en emotionele discussies in diverse media als de afgelopen dagen in Vlaanderen.

En de Nederlanders dan?

In het panel zat één Nederlander, en die bevestigde gewoon wat altijd het geval is geweest: de doorsnee Nederlander ligt niet wakker van wat Vlamingen met het Nederlands uitspoken of hoe groot het taalgebied uiteindelijk is. Vergis je niet: ook in Nederland wordt er gezeurd over taalverloedering, over ‘hun hebben’, over de om zich heen grijpende verengelsing en over jongeren die toch zo laks zijn en tijdens het chatten elke spellingregel overboord gooien. Maar hoewel de Nederlander welbespraakt en met veel plezier debatteert, is de ‘Vlaamsheid’ (of ‘Nederlandsheid’) van de standaardtaal voor hem absoluut geen issue. Alles kan, zolang we elkaar maar verstaan. En begrijpen.

Nederlanders gaan over het algemeen veel meer ontspannen om met hun moedertaal. Net omdat zij minder problemen hebben met die variatie, en niet in paniek geraken bij het idee dat het Nederlands waarschijnlijk zal desintegreren als we de norm een beetje durven loslaten, hebben zij meer ruimte voor oprecht taalplezier. Spelen met taal, blogs en boeken met toffe taalfeitjes, uitspraken verzamelen als ‘taal is zeg maar echt mijn ding’ en daar een show rond maken zonder er neerbuigend of ophemelend over te doen, een spelprogramma, een groot aantal nichewoordenboekjes, een wekelijks radioprogramma zonder het ook maar één moment over De Norm te hebben, het kan en het gebeurt allemaal gewoon. En natuurlijk komen er opmerkingen en zijn er mensen die elke fout in de krant opmerken en tweeten of denigrerende opmerkingen plaatsen bij een Taalvoutje. Maar het wordt nooit, zoals in Vlaanderen, de kern van een debat dat in het hele land wordt gevolgd. Er blijft genoeg ruimte om taal gewoon leuk te vinden, en ermee te spelen zonder op je woorden te moeten letten.

Wat nu?

De toekomst voorspellen is altijd een riskante onderneming. Ik volg de discussie over de standaardtaal in België al heel wat jaren, en ik heb sterk de indruk dat steeds minder mensen een probleem hebben met de aanwezigheid van woorden en uitdrukkingen die eerder in het zuiden van het taalgebied gebruikelijk zijn. Over het algemeen geldt dat de tolerantie groter is bij jongere taalgebruikers dan bij oudere, wat ook normaal is. Maar ik merk ook bij de oudere generatie meer en meer barstjes in het Groot-Nederlandse schild. Dat de uitspraak van de standaardtaal in Vlaanderen sterk verschilt van die in Nederland is al lang geen reden meer tot discussie. Dat is een feit, en iedereen vindt dat prima. De drempel voor het lexicon is nog niet genomen, maar ook daar worden de eerste barstjes zichtbaar. Mia Doornaert, de felste verdedigster van de groot-Nederlandse taalnorm, liet zich gisteren op een gegeven moment ontvallen dat ook zij geen probleem heeft met een woord als ‘zetel’ in het standaard Nederlands. Enkele Vlaamse woordjes kunnen volgens haar wel. Toen ze dat zei, glimlachte ik even.

De Taaltelefoon

Op 1 september heb ik een nieuwe wending gegeven aan mijn carrière: sindsdien werk ik bij de Taaltelefoon. Het is een tijdelijke wending, want ik vervang twee Taaltelefonistes die kort na elkaar mama worden (een van hen is intussen bevallen). Voor mij is het een ideale gelegenheid om weer eens een aspect van de taalsector van dichtbij te leren kennen: de taaladviesdienst.

Na bijna twee maanden wordt het stilaan tijd om een verslagje te maken. Omdat heel wat mensen blijkbaar nog nooit van de Taaltelefoon hebben gehoord, stel ik deze schitterende dienst van de Vlaamse overheid even aan u voor.

Wat is de Taaltelefoon?

De Taaltelefoon is de externe taaladviesdienst van de Vlaamse Overheid. ‘Extern’ betekent: voor alle burgers. Wie je ook bent, je kan met al je taalvragen bij ons terecht. Wie buiten de ‘openingsuren’ belt, krijgt de Vlaamse Infolijn aan de lijn, die ons de vraag dan via mail doorstuurt. Ook als je via de website van de Taalunie, taaladvies.net, een vraag stelt, gaat die naar onze mailbox, tenminste als je een Belg bent. De taalvragen uit Nederland worden doorgestuurd naar de taaladviseurs van het Genootschap Onze Taal. De Taaltelefoon heeft ook een Facebookpagina waar mensen vragen kunnen stellen, maar dat gebeurt (nog) niet zo frequent. Sinds enkele weken kwetteren we zelfs mee op Twitter als @taaltelefoon.

Met hoeveel zijn we?

Er zijn drie Taaltelefonisten. Die mensen beantwoorden alle telefoontjes en mails en schrijven de adviezen op de website van de Taaltelefoon. Zij stellen ook de wekelijkse nieuwsbrief Taallink op, waarop iedere geïnteresseerde zich via de website kan abonneren. Het taaladviesteam zelf is wat groter. Naast de drie taaladviseurs van de Taaltelefoon zijn er nog twee die intern taaladvies geven. Zij kijken regelgevende teksten na op correct taalgebruik, werken standaardformulieren uit en beantwoorden vragen van collega’s binnen de overheid. Daarnaast is er onze collega van de Taalunie die de taaladviezen op de website van de Taalunie, taaladvies.net, voortdurend herschrijft, nieuwe kwesties erin opneemt en de resultaten van panelonderzoekjes naar standaardtaligheid verwerkt. Tenslotte zijn er nog onze eigen IT-verantwoordelijke die de website en nieuwsbrief vlot laat werken, onze bode die ons op allerlei vlakken een handje toesteekt en ons teamhoofd.

Wat doen we precies?

‘Krijgen jullie nog wel veel telefoontjes?’, is mij al gevraagd. Wel, de tijd dat de telefoon bij dergelijke informatiediensten roodgloeiend staat, ligt al een tijdje achter ons. In de beginperiode van de Taaltelefoon, nu 15 jaar geleden, was dat nog anders. De telefoon was nog een heel belangrijk middel om snel iemand te contacteren; e-mail en internet stonden immers nog in de kinderschoenen. Intussen is dat wel veranderd. Elke dag krijgen we nog wel een aantal telefoontjes, zelfs meer dan ikzelf verwacht had, maar het gebeurt nog slechts sporadisch dat de telefoon naar de tweede taaladviseur wordt doorgeschakeld omdat de eerste al bezet is. Taaladviseur nummer drie krijgt zo goed als geen telefoontjes meer. Er is wel een beurtrol, zodat iedereen om de twee-drie weken op ‘de nummer 1’ zit en de meeste telefoontjes krijgt. Maar dat betekent niet dat de andere taaladviseurs intussen met hun duimen zitten draaien. De telefoon heeft als primair contactmiddel immers plaatsgemaakt voor de mail. We krijgen dus elke dag flink wat mailtjes te verwerken met taalvragen, en die gaan dan grotendeels naar de nummer twee en drie van het moment.

Een tweede verschuiving tegenover 15 jaar geleden is dat de vragen zelf complexer zijn en wat meer opzoekwerk vragen. Dat komt omdat heel wat informatie nu gewoon online te vinden is en de meeste mensen voor de meer voor de hand liggende spellingvragen, zoals een c/k-kwestie, die informatie nu ook zelf weten te vinden. Voor spelling is er de digitale versie van het Groene Boekje, woordenlijst.org en voor de andere vragen zijn er zowel taaladvies.net als de A-Z-rubriek op de website van de Taaltelefoon zelf. Mensen gaan meestal eerst zelf op zoek, en contacteren ons pas als ze daar of elders op internet hun antwoord niet vinden. Het gevolg daarvan is dat het aantal vragen wel gedaald is, maar de complexiteit net groter is geworden.

Websites als de A-Z-rubriek komen er natuurlijk niet vanzelf. Daar wordt ook voortdurend hard aangewerkt: er worden nieuwe taaladviezen toegevoegd, oude worden herzien, links worden gecontroleerd. Tenslotte verstuurt de Taaltelefoon haar wekelijkse nieuwsbrief, met een Vraag van de Week en een Woord van de Week. De tekst zelf is nooit lang, maar het voorbereidend zoek- en denkwerk valt niet te onderschatten.

Hoe waren die eerste maanden nu?

Boeiend, fijn, fantastisch, druk, vermoeiend. Ik denk dat dat een goede samenvatting is. Ik was zelf al een paar maanden bezig met uitzoeken hoe taaladviezen nu tot stand kwamen, wie ze opstellen en hoe, wat de huidige houding is tegenover Belgisch Nederlands, enz. Ik dacht dat ik er al vrij goed van op de hoogte was toen ik bij de Taaltelefoon begon, maar ik merkte al snel dat ik mijn ideeën wat moest bijstellen. De Taaltelefoon en de Taalunie zijn veel sterker met elkaar verstrengeld dan ik dacht, en de taalvragen zijn vaak complexer (en dus boeiender) dan ik vooraf had ingeschat. Het zwaaiende ‘mag niet/mag wel’-vingertje heeft al jaren geleden plaatsgemaakt voor inhoudelijk genuanceerde adviezen.

Het is alvast een heel verrijkende ervaring geweest. En er staat nog een en ander op stapel, waar ik voorlopig nog niets over kan zeggen. Behalve dit: abonneer je op Taallink, volg @taaltelefoon op Twitter en hou de komende weken je mailbox, Twitter en de Facebookpagina van de Taaltelefoon in de gaten!

Van Dale 150 jaar, vooral een Nederlands feestje.

Den Haag, Koninklijke Schouwburg donderdagavond 28 augustus om 20u15. Het doek ging open voor ‘Hotel Van Dale’, een voorstelling ter ere van de 150ste verjaardag van het gelijknamige woordenboek. Dat een woordenboek zo in de bloemetjes wordt gezet, is best bijzonder. Maar den Dikke, zoals hij in het hele taalgebied bekend staat, is ook een bijzonder woordenboek. Het is meer dan gewoon een boek, of zelfs een uitgeverij. Van Dale is een instituut, de naam staat bijna synoniem voor de Nederlandse taal. Zo werd het boek ook omschrijven, als het woordenboek voor een taalgebied met 23 miljoen sprekers. Nederland en Vlaanderen.

De voorstelling was best wel leuk, hoewel ze bij momenten rommelig was en de techniek wat haperde. Ik verruimde er mijn cultuurkennis dankzij een hele reeks mij volledig onbekende, en enkele min of meer bekende Bekende Nederlanders. De namen Frits Spits, Nelleke Noordervliet en Hans Dorrestijn zeiden mij wel wat, en Wim Daniëls had ik al eens eerder aan het werk gezien. Maar van de andere taalvirtuozen had ik tot donderdagavond nog nooit gehoord. Nu, dat is niet erg. Ik vind het altijd prettig om iets nieuws te leren, zeker als het met de Nederlandse taal en cultuur te maken heeft. Op dat vlak is de rijksgrens ook echt een cultuurgrens. En daarom vond ik het jammer dat de Nederlanders in de zaal, die toch de grote meerderheid vormden, niet in dezelfde mate een cultuurverruiming konden ervaren. Er stond namelijk geen enkele Vlaming, of Belg zo u wilt, op het podium. Oh ja, we hebben er wel één gehoord. 1, dus. Dat was Geert Joris, Algemeen secretaris van de Taalunie, werd op verplaatsing geïnterviewd door Frits Spits, presentator van het prachtige radioprogramma De Taalstaat. Geen enkele lettermens, geen enkele woordkunstenaar uit Vlaanderen kwam in Den Haag een ode brengen aan Van Dale. En dat vond ik jammer.

Eerlijk is eerlijk: ik dacht eerst dat men in Nederland gewoon vergeten was dat er in Vlaanderen ook mensen zijn die wel wat kunnen met taal. Maar dat blijkt niet het geval. Er zijn mensen uitgenodigd, en niemand kon of wilde komen. ‘Te ver’. Den Haag, te ver van Vlaanderen. Hm, dat kan best, maar het is toch niet helemaal overtuigend. Wat is er dan wel aan de hand?

Van Dale is een woordenboek, en is dus in de eerste plaats een naslagwerk. Als je een woord niet kent, neem je de Van Dale (of een ander woordenboek zoals Prisma, Kramers, Verschueren) ter hand om de betekenis ervan op te zoeken. Dat is zo in Nederland en in Vlaanderen. Alleen is Van Dale veel meer dan een woordenboek. Het was het eerste handwoordenboek van het Nederlands, en daardoor is het een symbool geworden. Maar van wat? Mijn indruk is dat Vlaanderen en Nederland net hierin verschillen.

In Hotel Van Dale passeerden vooral lettermensen en woordkunstenaars de revue: cabaretiers, schrijvers, zangers. Mensen die met taal spelen. Van Dale werd geëerd als een heel en gewaardeerde bewaker en bewaarder van een belangrijke schat, namelijk de Nederlandse woordenschat. Iemand, of in dit geval iets, om te koesteren en te eren. Voor deze mensen staat het raadplegen van dit woordenboek gelijk met een schatkist openen, erin graaien en de mooiste parels meenemen. Dat lijkt me nu net de status die het woordenboek Van Dale in Nederland heeft: het is van ‘ons’, en het is heel waardevol.

Voor Vlaanderen ligt dat anders. Van Dale staat symbool voor De Norm. De Nederlandse Taalnorm uit het noorden, van het Algemeen Beschaafd. De Norm die Vlamingen zich na de Tweede Wereldoorlog zo snel mogelijk eigen moesten maken. Van Dale speelde – en speelt – daar een belangrijke rol bij, omdat het woordenboek 1) in Nederland wordt samengesteld en uitgegeven (en dus verondersteld wordt de juiste informatie te bevatten, 2) decennialang een expliciet normatief woordenboek was en 3) met labels werkt. Woorden zonder label waren zeker standaardtaal, woorden met een label als ‘gewestelijk’, ‘gallicisme’, ‘germanisme’ en – hier komt het – ‘zuidnederlands’ waren te mijden als ‘geen ABN’. De Vlamingen die graag zo snel mogelijk ‘beschaafd’ wilden leren spreken, en het zeker hun kinderen ook wilden leren, hadden nood aan een betrouwbare bron waarin ze konden vinden welke woorden juist waren en welke niet, en Van Dale voldeed daar perfect aan. Van Dale was dus geen gekoesterde bewaker van een schat, maar een klassieke, strenge schoolmeester, die zijn leerlingen vertelt wat hoort en wat niet hoort en die waarom-vragen beantwoordt met ‘omdat het zo is’ of ‘omdat ik het zeg’. Een schoolmeester is meestal wel gerespecteerd man, maar lang niet altijd geliefd. We kunnen veel van hem leren, en als we ons best doen, is hij ons misschien welgezind. Maar hij maakt ons ook onzeker, en een vriend zal hij nooit worden. Ik vermoed dus dat de Vlaamse woordkunstenaar en lettermens om die reden minder lyrisch en enthousiast wordt bij de verjaardag van Van Dale dan zijn Nederlandse collega. De verjaardag van een vriend vier je, een jarige schoolmeester negeer je of je eert hem vanop afstand.

Tot slot nog deze opmerking: sinds de dertiende editie uit 1999 profileert Van Dale zich niet meer als een normerend woordenboek, wel als een beschrijvend. Het afkeurende label ‘zuidnederlands’ is vervangen door het geografisch beschrijvende ‘Belgisch-Nederlands’, dat is althans de bedoeling. Decennia afkeuring en normeren veeg je namelijk niet zomaar uit. Heel wat mensen interpreteren ‘Belgisch-Nederlands’ nog steeds als normatief, een afkeuring en dus wat neerbuigend tegenover het Nederlands in België. Het zal nog wel wat werk vragen eer de schoolmeester van weleer een echte vriend is.

Er is talenkennis en talenkennis…

Enkele dagen geleden stond de klassieke onheilstijding weer in de krant: ‘Kennis Frans nog nooit zo slecht.’ Ik noem ze klassiek, omdat die om de zoveel jaar weer opduikt. En het valt niet te ontkennen: de kennis van het Frans is nu een pak minder dan twintig, dertig, vijftig jaar geleden. Of toch niet? Het ligt eraan, in de eerste plaats hoe je ‘kennis van het Frans’ definieert. 

Ik heb het al vaker gehad over mijn dochter-met-talenknobbel. Nu heb ik ook een zoon-met-talenknobbel, maar daar zal zijn leerkracht Frans het ongetwijfeld niet mee eens zijn. Ik verklaar mij nader. Mijn zoon heeft het afgelopen schooljaar zijn eerste middelbaar afgerond, en hij was voor 1 vak gezakt. Jawel, Frans. Het was zelfs geen donderslag bij heldere hemel, want vanaf het moment dat hij Frans kreeg op school (vijfde leerjaar), was duidelijk dat het niet zijn beste vak was en het dat nooit zou worden. Woordjes drillen, Franse accenten hanteren, onthouden wanneer een woord er een e en/of s bij krijgt, het ligt hem niet. Dat (en omdat zijn interesses helemaal in een andere richting liggen) was de reden waarom hij geen Latijn volgt, hoewel hij toch ‘ne slimme’ is. Voor de Nederlandse lezer: in Vlaanderen is het voor heel wat mensen èn scholen nog steeds vanzelfsprekend dat ‘ne slimme’ Latijn volgt. ‘Om te proberen, want je kunt uiteindelijk nog altijd veranderen’. Of ‘afzakken’, zo wordt dat ook genoemd. Omdat wij al van ver zagen dat onze zoon geen taalkundige zou worden en we hem nodeloos geworstel in dat eerste jaar wilden besparen (Frans zou al voldoende worsteling opleveren), stond bij voorbaat vast dat hij die Latijnse beker aan zich voorbij zou laten gaan. Het Frans is inderdaad lastig geworden voor hem. Woordjes drillen, met hun correcte spelling, dat lukt intussen wel. Maar de grammatica heeft hem dit jaar de das omgedaan. Bezittelijke voornaamwoorden aanpassen aan geslacht en getal, hetzelfde met voltooide deelwoorden, hij heeft er nu eenmaal veel tijd voor nodig om dat systeem in de vingers te krijgen, en die had hij niet.

En toch noem ik hem een talenknobbel. Waarom? Omdat hij degene is die, als ze een klas- of schooluitstap maken naar bijvoorbeeld Luik, het aandurft een friet met mayonaise te bestellen bij een frituur. Zijn vrienden, die uitstekende punten voor Frans halen, niet. En akkoord, het Frans dat hij produceert is verre van perfect, maar hij doet het wel en hij krijgt zijn friet met mayonaise ook. Met andere woorden: de communicatie lukt. Ook tijdens ons weekendje Parijs het afgelopen jaar, kort na ons op school de vraag gesteld werd of hij niet beter wat bijles Frans zou volgen, heeft hij zich uitstekend uit de slag getrokken. Het ging maar om bestellen op restaurant, samen de weg zoeken, kaartjes kopen bij het museum, maar hij deed het en het lukte. 

Hetzelfde voor Engels. Volgend schooljaar krijgt hij voor het eerst Engels op school, en hij kijkt ernaar uit. Ik hoop dat het geen tegenvaller wordt. Intussen communiceert hij namelijk vlot met een twintigjarige Zweed die via Youtube de nieuwste games bespreekt, schrijft hij in een gastenboek in Kroatië in het Engels hoe interessant hij het bezoek vond en leest hij in een Engelstalig boek hoe hij het zeilbootje dat we onlangs gekocht hebben moet onderhouden. Is zijn Engels perfect en volgens de regels der grammatica? Absoluut niet, zelfs niet volgens de regels van de uitspraak. Daar is zelfs zijn zus beter in. Maar hij gebruikt de taal wel, en met succes. 

Mijn zoon is een voorbeeld dat ik van nabij ken. Tijdens mijn jaren als taaldocent Nederlands heb ik zulke types studenten nog ontmoet. Mensen die geen grammaticaregel konden onthouden, maar er geen graten inzagen en zich uitstekend uit de slag konden trekken. En daartegenover mensen die alle regels perfect konden toepassen, maar toch hun mond niet durfden opentrekken uit schrik een foutje te maken. En alle varianten ertussenin. Ik durf van niemand zeggen dat hun talenkennis ‘slecht’ is, ze is gewoon anders. En hoe goed die is, dat hangt eigenlijk af van de doelstelling die je ermee hebt.

De afgelopen twintig jaar heeft het talenonderwijs in het middelbaar in Vlaanderen een facelift ondergaan. De focus verschoof van ‘kennis’ van de grammatica, de structuren en ook de woordenschat naar vaardigheden: ‘kunnen’ lezen, luisteren, spreken, schrijven. In die volgorde. Het spreekt dan vanzelf dat leerlingen uit het zesde middelbaar die grammatica minder goed in de vingers hebben dan de generatie van twintig jaar geleden. Op dat vlak hebben ze nu eenmaal veel minder oefening gehad. Maar aan de andere kant is het met de spreekdurf en -vaardigheid veel beter gesteld. Als je het aantal uren taal op school niet verhoogt (dat is eerder verlaagd in de loop van de tijd), en je verlegt de focus van kennen naar kunnen, dan kan je niet verwachten dat het niveau van de kennis van leerlingen gelijk blijft. 

Is dat dan erg? Laat ons eens kijken naar dat artikel van enkele dagen geleden: Kennis Frans nog nooit zo slecht. Concreet gaat het hier over studenten Frans die aan hun eerste jaar aan de universiteit beginnen. Die dus van plan zijn het Frans te bestuderen. Uiteraard is hun startkennis lager dan die van hun collega’s van twintig jaar geleden, vanwege die veranderde focus. Maar hoeveel leerlingen vatten na hun secundair onderwijs een talenstudie aan? En hoeveel niet, maar zullen het Frans toch gebruiken in hun job, of in hun dagelijkse leven? Met andere woorden: wat is de bedoeling het schoolvak Frans, een vak dat elke leerling in het algemeen en technisch onderwijs en enkele richtingen in het beroepsonderwijs krijgt? Moeten die leerlingen de taal bestuderen, zodat ze weten hoe die in elkaar zit, of moeten ze hem leren gebruiken? Ik zou graag het en-en-verhaal willen zien, maar met enkele uren per week is dat onmogelijk. Er moet dus gekozen worden. En dan lijkt me dat de keuze voor praktisch gebruik meer voor de hand ligt dan voor theoretische kennis, gewoon omdat het gros van de leerlingen nooit talen zal gaan studeren. In theorie is die keuze eigenlijk gemaakt, in de praktijk blijkt het toch bijzonder moeilijk te zijn om de ‘oude’ traditie van kennis, en vooral van het leren van de schrijftaal – nog voor de gesproken taal – los te laten. In de praktijk is dat natuurlijk ook lastiger: een geschreven handboek gebruiken is natuurlijk makkelijker dan je lessen baseren op gesproken bronnen. Maar dat is weer een ander verhaal.

Conclusie: de kennis van het Frans is inderdaad minder goed, vanwege de nieuwe focus en vanwege het feit dat het Frans niet meer zo aanwezig is dan een halve eeuw geleden. Maar dat hoeft geen ramp te zijn. Ik heb er vertrouwen in dat de jongeren die op school de basisvaardigheden mee hebben gekregen, die gemakkelijk zelf verder kunnen ontwikkelen zodra ze in een situatie van taalcontact zitten, dus zodra ze de taal zelf nodig hebben. En wat de toekomstige studenten Frans betreft: ik denk dat de universiteiten en hogescholen zich best aan de veranderde situatie aanpassen en desnoods via zomercursussen hun toekomstige eerstejaars alvast bijspijkeren op het vlak van theoretische kennis. De klok zal toch niet worden teruggedraaid.

(Schrijf)taal, godsdienst en onderwijs: een drie-eenheid

Al enkele maanden bestudeer ik de geschiedenis van de spelling van het Nederland, en daarbij aansluitend het leesonderwijs in onze contreien, met de bedoeling er een laagdrempelige publicatie (liefst een boek) over te maken. Hiervoor heb ik een structuur in hoofdstukken opgezet, waarbij ik in elk hoofdstuk voor een bepaalde periode de volgende vragen wil behandelen: 

– wie volgde er onderwijs?

– waar en door wie werd dat onderwijs gegeven?

– hoe werd het leren lezen (en eventueel schrijven) aangeleerd?

– in welke taal werd dat onderwijs gegeven?

– hoe zag de spelling van het Nederlands er op dat moment uit?

Op dit moment ben ik in de 18de eeuw beland, en ik zie stilaan een patroon verschijnen dat ik u niet wil onthouden: schrijftaal, godsdienst en onderwijs ontlenen hun bestaansrecht aan elkaar. Ik verklaar mij nader.

1. Godsdienst kan niet zonder schrijftaal. Ik heb het hier in de eerste plaats over de christelijke godsdienst, maar eigenlijk gaat dit op voor op zijn minst de drie grote monotheïstische religies: jodendom, christendom en islam. Ze baseren hun gezag op heilige geschriften, die op de een of andere manier het Woord van God weergeven. Alle waarden en normen die aan de geloofsgemeenschap worden opgelegd, of op zijn minst als ‘de juiste’ worden voorgehouden, worden verantwoord vanuit deze heilige boeken en elke discussie over die normen draait om verschillende interpretaties van fragmenten uit net die heilige geschriften. Heilige geschriften bestaan bij gratie van een schrijftaal. Je kan dus zeggen dat er zonder schrijftaal geen normenpakket zou bestaan, en geen schriftgeleerden die de intellectuele elite en de behoeders van de kennis vormen die de rest van de kudde de weg wijst in het Woord van God (of Jahweh of Allah).

2. Het onderwijs zoals het nu is, bestond niet zonder godsdienst. Het spreekt vanzelf dat om schriftgeleerde te worden, je eerst moet leren lezen en je dus leesonderwijs moet krijgen. Maar ook de eerste democratisering van het onderwijs, waardoor net meer kinderen dan een heel beperkte elite van geleerde toegang kregen tot dat elementaire leesonderwijs, is gebeurd vanuit een religieus motief. Karel de Grote (de ‘Charlemagne’ op wie France Gall zo sakkerde in haar wereldberoemde nummer) vond het heel belangrijk dat alle jongens die tot de geestelijkheid toetraden, van de eenvoudigste monnik en priester tot de belangrijkste geleerden, degelijk leesonderwijs kregen. Niet omdat hij wilde dat zijn volk zich ontwikkelde, wel omdat hij merkte dat de lagere geestelijkheid amper geletterd was, en dus de correcte liturgische formules en gebeden, zoals ze in de heilige geschriften stonden, niet kende. Bijgevolg konden ze niet goed voor hem bidden als hij weer eens ten strijde trok, en vreesde hij dat God hem niet welgezind zou zijn door de gebeden die voor hem gedaan werden. Een God in wiens naam je ten strijde trekt, die hou je maar beter tevreden, en dus stelde hij strenge eisen aan het lees- en zangonderwijs van de toekomstige priesters en monniken. Ze moesten en zouden zo perfect bidden en zingen, dat God hem in al zijn veldslagen met veel plezier naar de overwinning zou leiden. Conclusie: we hebben Karels beroemde onderwijshervorming, die inderdaad een boost was voor het (lees)onderwijs, te danken aan het feit dat hij diepgelovig was en aan het belang dat hij aan correct uitgesproken (en gezongen) gebeden hechtte. 

3. De schrijftaal is gestandaardiseerd dankzij het onderwijs. De band tussen religie en de standaardtaal is duidelijk. We hoeven daarvoor alleen maar te denken aan Luthers bijbel en de Statenbijbel. Maar in feite zijn het de eerste drukkers en de schoolmeesters uit de 16de eeuw die de eerste belangrijke aanzetten gaven tot het standaardiseren van de schrijftaal en – vooral – de spelling. Beide beroepsgroepen hadden immers alle voordeel bij een zo eenvormig mogelijke schrijftaal. Voor de drukkers werd de grootte van hun afzetmarkt bepaald door de grootte van de regio waar men de taal van hun boeken kon lezen en begrijpen. Uiteraard was dat voor de boeken in het Latijn wel in orde. Maar de boekdrukkunst is ontstaan in de tijd van de humanisten, en die hadden een grote interesse voor de eigen volkstaal. Er verschenen dus ook heel wat publicaties in die volkstaal en zo groeide de nood aan een ‘gestandaardiseerde’ volkstaal. De schoolmeesters, die al langer lesgaven in de volkstaal, hadden dezelfde behoefte. Voor het eerst konden zij namelijk gebruik maken van schoolboekjes om hun leerlingen het ABC en de basisprincipes van spellen en lezen bijbrengen, in plaats van mnemotechnische technieken. Zij waren dan ook grote afnemers van die boekjes, en hadden behoefte aan duidelijke regels waarmee ze hun leerlingen de volkstaal konden leren lezen, en aan een eenvormige volkstalige schrijftaal in het algemeen. Uit de samenwerking van toonaangevende drukkers (zoals Plantin in Antwerpen) en schoolmeesters die voor de verspreiding van die regels zorgden, zijn de allereerste aanzetten tot de normering van de schrijftaal ontstaan. Later zouden veel van deze normen via de Statenbijbel vastgelegd worden.

En hoe gaat het nu verder? Zoals gezegd, ben ik intussen in de 18de eeuw beland, en de band tussen religie, taal en onderwijs is nog steeds onmiskenbaar aanwezig. Het leesonderwijs is nog steeds het eerste en belangrijkste onderwijs dat kinderen krijgen, en dat gebeurt aan de hand van ABC-boekjes en stichtelijke verzen, in een in grote mate gestandaardiseerde schrijftaal. Als we dat vergelijken met vandaag, vallen de volgende zaken op:

– waar lees- en schrijfvaardigheid eeuwenlang symbool stonden voor een grote geleerdheid en voor een elite, zijn dat nu vaardigheden die iedereen verondersteld wordt te bezitten.

– waar talenkennis en theologie eeuwenlang bij de belangrijkste wetenschappen hoorden (naast rechten en geneeskunde), hebben ze nu amper nog prestige. In het secundair onderwijs studeer je moderne talen ‘als je geen wiskunde kunt’, en als je beslist theologie te studeren, kan je je beter op rare blikken voorbereiden. De ‘cijfervakken’ hebben de plaats ingenomen van de ‘lettervakken’.

– de eeuwenlange link tussen religie, onderwijs en taal, die ik hierboven beschreven heb, is stilaan verdampt. Godsdienst bestaat nog wel als vak, maar speelt geen rol meer bij de andere schoolvakken, ook niet bij het lezen en schrijven. Het nut van zowel spelling als standaardtaal worden steeds heftiger en duidelijker in vraag gesteld.

Wat de toekomst ook zal brengen, de breuk met het verleden tekent zich steeds duidelijker af.

Beep! Beep! Boem! Boem!

Het BIVV (Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid) heeft altijd wel een affichecampagne lopen. Momenteel is dat er eentje die waarschuwt voor de gevaren van het checken van je gsm/smartphone tijdens het rijden. Dit is de affiche:

beep beep boem boem - campagne bivv

Het eerste wat mij, taalgek als ik ben, opviel was dat er twee talen op de affiche worden gebruikt. Of beter gezegd: spellingsystemen uit twee verschillende talen. Ik heb het dus niet over de slogan ‘Go for zero’, die al een tijdje in gebruik is voor elke campagne die gelinkt is met het streven naar minder verkeersdoden. Nee, ik heb het over het Engelse ‘Beep! Beep!’, versus het Nederlandse ‘Boem! Boem!’. Ik zag het staan, en mijn eerste gedachte was: ‘Wat is er mis met biep?’. En dan realiseerde ik me dat ik die ‘beep’ spontaan toch correct las, namelijk als het piep-geluidje dat uit de smartphone komt als er een berichtje is binnengelopen (gesteld natuurlijk dat de eigenaar geen opvallender geluidje heeft ingesteld, zoals het gerochel van Dart Vader of zo. Je hoort de gekste dingen.)

Toen vroeg ik me af of ik andere versies ook spontaan juist zou lezen.

‘Biep! Biep! Boem! Boem!’: geen probleem, dat spreekt vanzelf. 

‘Beep! Beep! Boom! Boom!’: geen probleem, maar ik zou me in dit geval afvragen waarom een poster aan de Vlaamse snelwegen volledig in het Engels zou moeten, zeker als het verschil met het Nederlands maar een kwestie van twee lettertjes is. Of nee, vier.

‘Biep! Biep! Boom! Boom!’: hm. Dat ziet er raar uit. Net alsof die smartphone mij na zijn gepiep ervoor waarschuwt dat ik tegen een boom ga knallen: ‘Biep, biep, pas op een boom!’

Voor de leesbaarheid is het dus geen probleem, dat mengelmoesje. Maar dat was het ook niet geweest bij een volledig Nederlandse versie. Komt een Nederlands piepende smartphone misschien ouderwetser over dan een Engelse? Of was het een spontane associatie van de ontwerper van deze affiche: een smartphone piept vanzelfsprekend in het Engels? 

Voor mijn tweede vaststelling, dat ik ‘beep’ spontaan wel juist lees en ‘boom’ niet, heb ik wel een verklaring. ‘Beep’ is geen Nederlands woord, ‘boom’ wel. Meer nog, binnen deze context (pas op met afleiding, anders bots je) kan dat woord perfect: ‘pas op, straks boem tegen een boom!’ Terwijl ‘beep’, daar kan je niks anders van maken dan ‘piep’.

Interessante campagne.

 

Update 18/8/2014

Gisteren reed ik toevallig door het Franstalige gedeelte van België, en zoals dat gaat hier, hingen er affiches voor dezelfde campagne naast de snelwegen:

 Banner9

En kijk eens aan: in Wallonië piept de smartphone in het Frans! 

Kinderengels

Mijn dochter is negen jaar, en ze is heel taalvaardig. Zeker in het Nederlands, maar ook in het Engels. Ik heb het al eens eerder over haar ‘leermethode’ gehad. Ze is een hevige fan van minecraft, en dat uit zich niet alleen in spelen. Ze kan hele avonden besteden aan het bekijken van minecraftfilmpjes op youtube, die grofweg in twee categorieën uiteenvallen: minecraftversies van recente hits (zoals dit) en gefilmde spelsituaties waarbij via skype (denk ik) overlegd wordt. Die laatste bestaan in het Nederlands en in het Engels, en ze bekijkt ze allebei. Als ze speelt, zingt ze vaak wat ze aan het doen is. In het Nederlands, en in het Engels. Als ze met haar broer overlegt over een spel, vliegen de Engelse termen je om de oren. ‘Zou dit dan die fameuze verengelsing zijn’, denk ik wel eens. Niet dat ik me zorgen maak om het Nederlands. Twintig jaar geleden voorspelde een prof al dat het Nederlands over dertig jaar verdwenen zou zijn. Dan mag het zich wel stilaan beginnen haasten, denk ik. Maar toch, het Engels is wel heel nadrukkelijk aanwezig in haar spreektaal.

En dan grijpt ze tijdens de vakantie naar een stripverhaal. Calvin and Hobbes, in het Engels. En gek genoeg vind ik dat een hele geruststelling.

 

http://cdn0.sbnation.com/imported_assets/1025890/CH860417_JPG.jpg