Enkele dagen geleden stond de klassieke onheilstijding weer in de krant: ‘Kennis Frans nog nooit zo slecht.’ Ik noem ze klassiek, omdat die om de zoveel jaar weer opduikt. En het valt niet te ontkennen: de kennis van het Frans is nu een pak minder dan twintig, dertig, vijftig jaar geleden. Of toch niet? Het ligt eraan, in de eerste plaats hoe je ‘kennis van het Frans’ definieert. 

Ik heb het al vaker gehad over mijn dochter-met-talenknobbel. Nu heb ik ook een zoon-met-talenknobbel, maar daar zal zijn leerkracht Frans het ongetwijfeld niet mee eens zijn. Ik verklaar mij nader. Mijn zoon heeft het afgelopen schooljaar zijn eerste middelbaar afgerond, en hij was voor 1 vak gezakt. Jawel, Frans. Het was zelfs geen donderslag bij heldere hemel, want vanaf het moment dat hij Frans kreeg op school (vijfde leerjaar), was duidelijk dat het niet zijn beste vak was en het dat nooit zou worden. Woordjes drillen, Franse accenten hanteren, onthouden wanneer een woord er een e en/of s bij krijgt, het ligt hem niet. Dat (en omdat zijn interesses helemaal in een andere richting liggen) was de reden waarom hij geen Latijn volgt, hoewel hij toch ‘ne slimme’ is. Voor de Nederlandse lezer: in Vlaanderen is het voor heel wat mensen èn scholen nog steeds vanzelfsprekend dat ‘ne slimme’ Latijn volgt. ‘Om te proberen, want je kunt uiteindelijk nog altijd veranderen’. Of ‘afzakken’, zo wordt dat ook genoemd. Omdat wij al van ver zagen dat onze zoon geen taalkundige zou worden en we hem nodeloos geworstel in dat eerste jaar wilden besparen (Frans zou al voldoende worsteling opleveren), stond bij voorbaat vast dat hij die Latijnse beker aan zich voorbij zou laten gaan. Het Frans is inderdaad lastig geworden voor hem. Woordjes drillen, met hun correcte spelling, dat lukt intussen wel. Maar de grammatica heeft hem dit jaar de das omgedaan. Bezittelijke voornaamwoorden aanpassen aan geslacht en getal, hetzelfde met voltooide deelwoorden, hij heeft er nu eenmaal veel tijd voor nodig om dat systeem in de vingers te krijgen, en die had hij niet.

En toch noem ik hem een talenknobbel. Waarom? Omdat hij degene is die, als ze een klas- of schooluitstap maken naar bijvoorbeeld Luik, het aandurft een friet met mayonaise te bestellen bij een frituur. Zijn vrienden, die uitstekende punten voor Frans halen, niet. En akkoord, het Frans dat hij produceert is verre van perfect, maar hij doet het wel en hij krijgt zijn friet met mayonaise ook. Met andere woorden: de communicatie lukt. Ook tijdens ons weekendje Parijs het afgelopen jaar, kort na ons op school de vraag gesteld werd of hij niet beter wat bijles Frans zou volgen, heeft hij zich uitstekend uit de slag getrokken. Het ging maar om bestellen op restaurant, samen de weg zoeken, kaartjes kopen bij het museum, maar hij deed het en het lukte. 

Hetzelfde voor Engels. Volgend schooljaar krijgt hij voor het eerst Engels op school, en hij kijkt ernaar uit. Ik hoop dat het geen tegenvaller wordt. Intussen communiceert hij namelijk vlot met een twintigjarige Zweed die via Youtube de nieuwste games bespreekt, schrijft hij in een gastenboek in Kroatië in het Engels hoe interessant hij het bezoek vond en leest hij in een Engelstalig boek hoe hij het zeilbootje dat we onlangs gekocht hebben moet onderhouden. Is zijn Engels perfect en volgens de regels der grammatica? Absoluut niet, zelfs niet volgens de regels van de uitspraak. Daar is zelfs zijn zus beter in. Maar hij gebruikt de taal wel, en met succes. 

Mijn zoon is een voorbeeld dat ik van nabij ken. Tijdens mijn jaren als taaldocent Nederlands heb ik zulke types studenten nog ontmoet. Mensen die geen grammaticaregel konden onthouden, maar er geen graten inzagen en zich uitstekend uit de slag konden trekken. En daartegenover mensen die alle regels perfect konden toepassen, maar toch hun mond niet durfden opentrekken uit schrik een foutje te maken. En alle varianten ertussenin. Ik durf van niemand zeggen dat hun talenkennis ‘slecht’ is, ze is gewoon anders. En hoe goed die is, dat hangt eigenlijk af van de doelstelling die je ermee hebt.

De afgelopen twintig jaar heeft het talenonderwijs in het middelbaar in Vlaanderen een facelift ondergaan. De focus verschoof van ‘kennis’ van de grammatica, de structuren en ook de woordenschat naar vaardigheden: ‘kunnen’ lezen, luisteren, spreken, schrijven. In die volgorde. Het spreekt dan vanzelf dat leerlingen uit het zesde middelbaar die grammatica minder goed in de vingers hebben dan de generatie van twintig jaar geleden. Op dat vlak hebben ze nu eenmaal veel minder oefening gehad. Maar aan de andere kant is het met de spreekdurf en -vaardigheid veel beter gesteld. Als je het aantal uren taal op school niet verhoogt (dat is eerder verlaagd in de loop van de tijd), en je verlegt de focus van kennen naar kunnen, dan kan je niet verwachten dat het niveau van de kennis van leerlingen gelijk blijft. 

Is dat dan erg? Laat ons eens kijken naar dat artikel van enkele dagen geleden: Kennis Frans nog nooit zo slecht. Concreet gaat het hier over studenten Frans die aan hun eerste jaar aan de universiteit beginnen. Die dus van plan zijn het Frans te bestuderen. Uiteraard is hun startkennis lager dan die van hun collega’s van twintig jaar geleden, vanwege die veranderde focus. Maar hoeveel leerlingen vatten na hun secundair onderwijs een talenstudie aan? En hoeveel niet, maar zullen het Frans toch gebruiken in hun job, of in hun dagelijkse leven? Met andere woorden: wat is de bedoeling het schoolvak Frans, een vak dat elke leerling in het algemeen en technisch onderwijs en enkele richtingen in het beroepsonderwijs krijgt? Moeten die leerlingen de taal bestuderen, zodat ze weten hoe die in elkaar zit, of moeten ze hem leren gebruiken? Ik zou graag het en-en-verhaal willen zien, maar met enkele uren per week is dat onmogelijk. Er moet dus gekozen worden. En dan lijkt me dat de keuze voor praktisch gebruik meer voor de hand ligt dan voor theoretische kennis, gewoon omdat het gros van de leerlingen nooit talen zal gaan studeren. In theorie is die keuze eigenlijk gemaakt, in de praktijk blijkt het toch bijzonder moeilijk te zijn om de ‘oude’ traditie van kennis, en vooral van het leren van de schrijftaal – nog voor de gesproken taal – los te laten. In de praktijk is dat natuurlijk ook lastiger: een geschreven handboek gebruiken is natuurlijk makkelijker dan je lessen baseren op gesproken bronnen. Maar dat is weer een ander verhaal.

Conclusie: de kennis van het Frans is inderdaad minder goed, vanwege de nieuwe focus en vanwege het feit dat het Frans niet meer zo aanwezig is dan een halve eeuw geleden. Maar dat hoeft geen ramp te zijn. Ik heb er vertrouwen in dat de jongeren die op school de basisvaardigheden mee hebben gekregen, die gemakkelijk zelf verder kunnen ontwikkelen zodra ze in een situatie van taalcontact zitten, dus zodra ze de taal zelf nodig hebben. En wat de toekomstige studenten Frans betreft: ik denk dat de universiteiten en hogescholen zich best aan de veranderde situatie aanpassen en desnoods via zomercursussen hun toekomstige eerstejaars alvast bijspijkeren op het vlak van theoretische kennis. De klok zal toch niet worden teruggedraaid.

Advertenties