Al enkele maanden bestudeer ik de geschiedenis van de spelling van het Nederland, en daarbij aansluitend het leesonderwijs in onze contreien, met de bedoeling er een laagdrempelige publicatie (liefst een boek) over te maken. Hiervoor heb ik een structuur in hoofdstukken opgezet, waarbij ik in elk hoofdstuk voor een bepaalde periode de volgende vragen wil behandelen: 

– wie volgde er onderwijs?

– waar en door wie werd dat onderwijs gegeven?

– hoe werd het leren lezen (en eventueel schrijven) aangeleerd?

– in welke taal werd dat onderwijs gegeven?

– hoe zag de spelling van het Nederlands er op dat moment uit?

Op dit moment ben ik in de 18de eeuw beland, en ik zie stilaan een patroon verschijnen dat ik u niet wil onthouden: schrijftaal, godsdienst en onderwijs ontlenen hun bestaansrecht aan elkaar. Ik verklaar mij nader.

1. Godsdienst kan niet zonder schrijftaal. Ik heb het hier in de eerste plaats over de christelijke godsdienst, maar eigenlijk gaat dit op voor op zijn minst de drie grote monotheïstische religies: jodendom, christendom en islam. Ze baseren hun gezag op heilige geschriften, die op de een of andere manier het Woord van God weergeven. Alle waarden en normen die aan de geloofsgemeenschap worden opgelegd, of op zijn minst als ‘de juiste’ worden voorgehouden, worden verantwoord vanuit deze heilige boeken en elke discussie over die normen draait om verschillende interpretaties van fragmenten uit net die heilige geschriften. Heilige geschriften bestaan bij gratie van een schrijftaal. Je kan dus zeggen dat er zonder schrijftaal geen normenpakket zou bestaan, en geen schriftgeleerden die de intellectuele elite en de behoeders van de kennis vormen die de rest van de kudde de weg wijst in het Woord van God (of Jahweh of Allah).

2. Het onderwijs zoals het nu is, bestond niet zonder godsdienst. Het spreekt vanzelf dat om schriftgeleerde te worden, je eerst moet leren lezen en je dus leesonderwijs moet krijgen. Maar ook de eerste democratisering van het onderwijs, waardoor net meer kinderen dan een heel beperkte elite van geleerde toegang kregen tot dat elementaire leesonderwijs, is gebeurd vanuit een religieus motief. Karel de Grote (de ‘Charlemagne’ op wie France Gall zo sakkerde in haar wereldberoemde nummer) vond het heel belangrijk dat alle jongens die tot de geestelijkheid toetraden, van de eenvoudigste monnik en priester tot de belangrijkste geleerden, degelijk leesonderwijs kregen. Niet omdat hij wilde dat zijn volk zich ontwikkelde, wel omdat hij merkte dat de lagere geestelijkheid amper geletterd was, en dus de correcte liturgische formules en gebeden, zoals ze in de heilige geschriften stonden, niet kende. Bijgevolg konden ze niet goed voor hem bidden als hij weer eens ten strijde trok, en vreesde hij dat God hem niet welgezind zou zijn door de gebeden die voor hem gedaan werden. Een God in wiens naam je ten strijde trekt, die hou je maar beter tevreden, en dus stelde hij strenge eisen aan het lees- en zangonderwijs van de toekomstige priesters en monniken. Ze moesten en zouden zo perfect bidden en zingen, dat God hem in al zijn veldslagen met veel plezier naar de overwinning zou leiden. Conclusie: we hebben Karels beroemde onderwijshervorming, die inderdaad een boost was voor het (lees)onderwijs, te danken aan het feit dat hij diepgelovig was en aan het belang dat hij aan correct uitgesproken (en gezongen) gebeden hechtte. 

3. De schrijftaal is gestandaardiseerd dankzij het onderwijs. De band tussen religie en de standaardtaal is duidelijk. We hoeven daarvoor alleen maar te denken aan Luthers bijbel en de Statenbijbel. Maar in feite zijn het de eerste drukkers en de schoolmeesters uit de 16de eeuw die de eerste belangrijke aanzetten gaven tot het standaardiseren van de schrijftaal en – vooral – de spelling. Beide beroepsgroepen hadden immers alle voordeel bij een zo eenvormig mogelijke schrijftaal. Voor de drukkers werd de grootte van hun afzetmarkt bepaald door de grootte van de regio waar men de taal van hun boeken kon lezen en begrijpen. Uiteraard was dat voor de boeken in het Latijn wel in orde. Maar de boekdrukkunst is ontstaan in de tijd van de humanisten, en die hadden een grote interesse voor de eigen volkstaal. Er verschenen dus ook heel wat publicaties in die volkstaal en zo groeide de nood aan een ‘gestandaardiseerde’ volkstaal. De schoolmeesters, die al langer lesgaven in de volkstaal, hadden dezelfde behoefte. Voor het eerst konden zij namelijk gebruik maken van schoolboekjes om hun leerlingen het ABC en de basisprincipes van spellen en lezen bijbrengen, in plaats van mnemotechnische technieken. Zij waren dan ook grote afnemers van die boekjes, en hadden behoefte aan duidelijke regels waarmee ze hun leerlingen de volkstaal konden leren lezen, en aan een eenvormige volkstalige schrijftaal in het algemeen. Uit de samenwerking van toonaangevende drukkers (zoals Plantin in Antwerpen) en schoolmeesters die voor de verspreiding van die regels zorgden, zijn de allereerste aanzetten tot de normering van de schrijftaal ontstaan. Later zouden veel van deze normen via de Statenbijbel vastgelegd worden.

En hoe gaat het nu verder? Zoals gezegd, ben ik intussen in de 18de eeuw beland, en de band tussen religie, taal en onderwijs is nog steeds onmiskenbaar aanwezig. Het leesonderwijs is nog steeds het eerste en belangrijkste onderwijs dat kinderen krijgen, en dat gebeurt aan de hand van ABC-boekjes en stichtelijke verzen, in een in grote mate gestandaardiseerde schrijftaal. Als we dat vergelijken met vandaag, vallen de volgende zaken op:

– waar lees- en schrijfvaardigheid eeuwenlang symbool stonden voor een grote geleerdheid en voor een elite, zijn dat nu vaardigheden die iedereen verondersteld wordt te bezitten.

– waar talenkennis en theologie eeuwenlang bij de belangrijkste wetenschappen hoorden (naast rechten en geneeskunde), hebben ze nu amper nog prestige. In het secundair onderwijs studeer je moderne talen ‘als je geen wiskunde kunt’, en als je beslist theologie te studeren, kan je je beter op rare blikken voorbereiden. De ‘cijfervakken’ hebben de plaats ingenomen van de ‘lettervakken’.

– de eeuwenlange link tussen religie, onderwijs en taal, die ik hierboven beschreven heb, is stilaan verdampt. Godsdienst bestaat nog wel als vak, maar speelt geen rol meer bij de andere schoolvakken, ook niet bij het lezen en schrijven. Het nut van zowel spelling als standaardtaal worden steeds heftiger en duidelijker in vraag gesteld.

Wat de toekomst ook zal brengen, de breuk met het verleden tekent zich steeds duidelijker af.

Advertenties