Den Haag, Koninklijke Schouwburg donderdagavond 28 augustus om 20u15. Het doek ging open voor ‘Hotel Van Dale’, een voorstelling ter ere van de 150ste verjaardag van het gelijknamige woordenboek. Dat een woordenboek zo in de bloemetjes wordt gezet, is best bijzonder. Maar den Dikke, zoals hij in het hele taalgebied bekend staat, is ook een bijzonder woordenboek. Het is meer dan gewoon een boek, of zelfs een uitgeverij. Van Dale is een instituut, de naam staat bijna synoniem voor de Nederlandse taal. Zo werd het boek ook omschrijven, als het woordenboek voor een taalgebied met 23 miljoen sprekers. Nederland en Vlaanderen.

De voorstelling was best wel leuk, hoewel ze bij momenten rommelig was en de techniek wat haperde. Ik verruimde er mijn cultuurkennis dankzij een hele reeks mij volledig onbekende, en enkele min of meer bekende Bekende Nederlanders. De namen Frits Spits, Nelleke Noordervliet en Hans Dorrestijn zeiden mij wel wat, en Wim Daniëls had ik al eens eerder aan het werk gezien. Maar van de andere taalvirtuozen had ik tot donderdagavond nog nooit gehoord. Nu, dat is niet erg. Ik vind het altijd prettig om iets nieuws te leren, zeker als het met de Nederlandse taal en cultuur te maken heeft. Op dat vlak is de rijksgrens ook echt een cultuurgrens. En daarom vond ik het jammer dat de Nederlanders in de zaal, die toch de grote meerderheid vormden, niet in dezelfde mate een cultuurverruiming konden ervaren. Er stond namelijk geen enkele Vlaming, of Belg zo u wilt, op het podium. Oh ja, we hebben er wel één gehoord. 1, dus. Dat was Geert Joris, Algemeen secretaris van de Taalunie, werd op verplaatsing geïnterviewd door Frits Spits, presentator van het prachtige radioprogramma De Taalstaat. Geen enkele lettermens, geen enkele woordkunstenaar uit Vlaanderen kwam in Den Haag een ode brengen aan Van Dale. En dat vond ik jammer.

Eerlijk is eerlijk: ik dacht eerst dat men in Nederland gewoon vergeten was dat er in Vlaanderen ook mensen zijn die wel wat kunnen met taal. Maar dat blijkt niet het geval. Er zijn mensen uitgenodigd, en niemand kon of wilde komen. ‘Te ver’. Den Haag, te ver van Vlaanderen. Hm, dat kan best, maar het is toch niet helemaal overtuigend. Wat is er dan wel aan de hand?

Van Dale is een woordenboek, en is dus in de eerste plaats een naslagwerk. Als je een woord niet kent, neem je de Van Dale (of een ander woordenboek zoals Prisma, Kramers, Verschueren) ter hand om de betekenis ervan op te zoeken. Dat is zo in Nederland en in Vlaanderen. Alleen is Van Dale veel meer dan een woordenboek. Het was het eerste handwoordenboek van het Nederlands, en daardoor is het een symbool geworden. Maar van wat? Mijn indruk is dat Vlaanderen en Nederland net hierin verschillen.

In Hotel Van Dale passeerden vooral lettermensen en woordkunstenaars de revue: cabaretiers, schrijvers, zangers. Mensen die met taal spelen. Van Dale werd geëerd als een heel en gewaardeerde bewaker en bewaarder van een belangrijke schat, namelijk de Nederlandse woordenschat. Iemand, of in dit geval iets, om te koesteren en te eren. Voor deze mensen staat het raadplegen van dit woordenboek gelijk met een schatkist openen, erin graaien en de mooiste parels meenemen. Dat lijkt me nu net de status die het woordenboek Van Dale in Nederland heeft: het is van ‘ons’, en het is heel waardevol.

Voor Vlaanderen ligt dat anders. Van Dale staat symbool voor De Norm. De Nederlandse Taalnorm uit het noorden, van het Algemeen Beschaafd. De Norm die Vlamingen zich na de Tweede Wereldoorlog zo snel mogelijk eigen moesten maken. Van Dale speelde – en speelt – daar een belangrijke rol bij, omdat het woordenboek 1) in Nederland wordt samengesteld en uitgegeven (en dus verondersteld wordt de juiste informatie te bevatten, 2) decennialang een expliciet normatief woordenboek was en 3) met labels werkt. Woorden zonder label waren zeker standaardtaal, woorden met een label als ‘gewestelijk’, ‘gallicisme’, ‘germanisme’ en – hier komt het – ‘zuidnederlands’ waren te mijden als ‘geen ABN’. De Vlamingen die graag zo snel mogelijk ‘beschaafd’ wilden leren spreken, en het zeker hun kinderen ook wilden leren, hadden nood aan een betrouwbare bron waarin ze konden vinden welke woorden juist waren en welke niet, en Van Dale voldeed daar perfect aan. Van Dale was dus geen gekoesterde bewaker van een schat, maar een klassieke, strenge schoolmeester, die zijn leerlingen vertelt wat hoort en wat niet hoort en die waarom-vragen beantwoordt met ‘omdat het zo is’ of ‘omdat ik het zeg’. Een schoolmeester is meestal wel gerespecteerd man, maar lang niet altijd geliefd. We kunnen veel van hem leren, en als we ons best doen, is hij ons misschien welgezind. Maar hij maakt ons ook onzeker, en een vriend zal hij nooit worden. Ik vermoed dus dat de Vlaamse woordkunstenaar en lettermens om die reden minder lyrisch en enthousiast wordt bij de verjaardag van Van Dale dan zijn Nederlandse collega. De verjaardag van een vriend vier je, een jarige schoolmeester negeer je of je eert hem vanop afstand.

Tot slot nog deze opmerking: sinds de dertiende editie uit 1999 profileert Van Dale zich niet meer als een normerend woordenboek, wel als een beschrijvend. Het afkeurende label ‘zuidnederlands’ is vervangen door het geografisch beschrijvende ‘Belgisch-Nederlands’, dat is althans de bedoeling. Decennia afkeuring en normeren veeg je namelijk niet zomaar uit. Heel wat mensen interpreteren ‘Belgisch-Nederlands’ nog steeds als normatief, een afkeuring en dus wat neerbuigend tegenover het Nederlands in België. Het zal nog wel wat werk vragen eer de schoolmeester van weleer een echte vriend is.

Advertenties