Vandaag kreeg ik de uitnodiging voor de doctoraatsverdediging van mijn zusje. Enfin, zus, want hoewel ze een stuk jonger is dan ik, is ze natuurlijk een volwassen vrouw. Volwassen genoeg alleszins om haar werkstuk, het resultaat van een aantal jaren hard werken, te verdedigen tegenover een jury van kritische vakgenoten. ‘Maps, how do users see them?’ is de titel. Zusjelief is namelijk geografe, of beter gezegd, cartografe. Ze heeft onderzocht hoe lekengebruikers (en dus geen professionals) digitale kaarten lezen, interpreteren en gebruiken. Heel interessant, zeker voor bedrijven die hiervan hun kernactiviteit hebben gemaakt, zoals google maps, tomtom en consoorten. En hoewel haar en mijn studie mijlenver uit elkaar lijken te liggen, is er toch een stevige overlap. Tijdens mijn carrière als wetenschappelijk medewerker bij dialectologie heb ik honderden kaarten gemaakt, en dat is niet overdreven. De cartografie is mij dus verre van vreemd. En nu zou ik graag met standaardtaal en tussentaal iets gelijkaardigs willen doen als zij met haar digitale kaarten, namelijk bekijken hoe leken hiermee omgaan en ertegenover staan. Niet als doctoraatsonderzoek, hoewel ik moet toegeven dat het verleidelijk is om met dit onderwerp te gaan leuren en zo proberen weer volledig in de wetenschappelijke wereld te staan. Want ik mis het wel, het ondergedompeld zitten in de wereld van het taalonderzoek. Maar er hangen zoveel verplichtingen en deadlines aan een doctoraatsonderzoek dat ik het toch liever vrijblijvender hou. Onderzoeken wat ik wil, wanneer ik wil en kan, en er af en toe eens een stukje over plegen, dat plan bevalt me meer. En heel misschien op die manier toch weer een teentje binnen steken in die wetenschappelijke wereld, dat zou mooi meegenomen zijn. Ik geef het toe, ik ben een beetje jaloers op zus. Maar ik hoop nog meer dat zij haar eigen weg kan maken, tussen de kaarten en de proffen. En dat ze ooit op een dag zelf een toffe prof wordt. Dat zou ook mooi zijn voor de toekomstige studenten cartografie.

Advertenties