Gisteren heb ik een discussiegroep op facebook opgestart, over het gesproken Nederlands in Vlaanderen. Die is al stevig uit de startblokken geschoten, en op een gegeven moment stelde een deelneemster de volgende vraag: ‘hoe komt het dat de uitspraak van Vlamingen en Nederlanders zo kan verschillen?’
Wel, een taal bestaat uit verschillende aspecten, die je grosso modo kan verdelen in uitspraak (en intonatie), woordenschat en syntaxis (structuur/grammatica). Voor de verstaanbaarheid speelt de uitspraak hierbij een bijzonder belangrijke, zo niet de hoofdrol. Het valt dus extra op als daar verschillen zijn, nog meer dan bij woordenschat en zeker dan bij grammatica.
Nu, uiteraard verschilt de uitspraak van mensen van streek tot streek, zowel in Vlaanderen als in Nederland, en ook bij andere talen (vergelijk het Engels uit het zuiden van de USA maar eens met dat van het noorden). Maar daarover gaat het hier niet, denk ik. De vraag waarom de uitspraak van het Standaardnederlands in Vlaanderen en Nederland duidelijk uit elkaar aan het groeien is, is een stuk interessanter, omdat die al op het einde van de 19de eeuw genormeerd werd. Er bestaan dus regels voor, en je zou dus kunnen verwachten dat als iedereen zich aan die regels houdt, iedereen ook (ongeveer) dezelfde uitspraak heeft.
Wat is er dan aan de hand?

Ik ben zelf voor het eerst met die vraag geconfronteerd, toen ik als taaldocent Nederlands merkte dat ik de uitspraaktraining uit een Nederlandse lesmethode niet kan gebruiken in Vlaanderen. Niet alleen omdat de gesproken voorbeelden heel noordelijk klinken, maar ook omdat de richtlijnen noordelijk zijn (voorbeeld uit ‘Taaltrainer’: ‘Om een goede ee-klank te maken, moet je de ee uitspreken met een lachende mond. En de ee-klank moet eindigen met een j; dit klinkt als eej‘; in ‘Nu versta ik je’, een Vlaamse lesmethode voor uitspraak, is absoluut geen sprake van die j.) Nu wist ik wel dat die ‘eej’ (en ook ‘oow’ en verstemlozing van g, z, v) vrij normaal is in Nederland, maar niet dat dit dus ook zo aan anderstaligen aangeleerd wordt als de correcte, normale uitspraak. Daarom ben ik verder op zoek gegaan.

Taalkundige Marc Van Oostendorp maakte me attent op het doctoraat van Dick Smakman, die heeft uitgezocht wat de modale Nederlander nu ziet als de standaarduitspraak van het Nederlands. Dit onderzoek maakt een en ander duidelijk. In de eerste plaats dat de standaardisatie van Nederland vooral iets is van de twintigste eeuw (voor de gehele bevolking dan, daarvoor gebruikte een kleine elite al wel een Standaardtaal). De norm werd vooral verspreid via de ‘nieuwe’ media van toen: in de eerste plaats radio, later ook televisie. De uitspraak van de presentatoren gold (en geldt eigenlijk nog steeds) als de na te streven norm. Hij heeft dan fragmenten uit radioprogramma’s tussen de jaren 50 en nu(die op zo’n manier bewerkt waren dat je aan de kwaliteit niet kan horen uit welke periode ze komen) door leken laten beoordelen, en het blijkt duidelijk dat de uitspraak van die presentatoren geëvolueerd is en een aantal meer typische randstedelijke kenmerken vertoont, en – vooral – dat de mensen de huidige uitspraak (eej, oow, de Nederlandse r, stemloze g, v, z) wel als standaardtalig beoordelen. Met andere woorden: de evolutie wordt geaccepteerd omdat ze algemeen is op radio en tv.
Een drietal weken geleden heb ik de kans gehad om een NOS-hoofdredacteur te spreken en ik heb hem gevraagd in hoeverre nieuwe tv-presentatoren bij hun sollicitatie beoordeeld worden. Hij antwoordde dat een mooie, duidelijke stem belangrijk is, en dat meer regionale accenten geen probleem zijn zolang ze de verstaanbaarheid niet in de weg staan. Er zijn dus geen concrete uitspraaknormen waaraan zo’n presentator of nieuwsanker moet voldoen.
In Vlaanderen is de situatie anders. Ook hier gelden nieuwsankers als voorbeeld (blijkt ook uit het doctoraat van Smakman), maar nieuwe mensen die als presentator (of journalist of nieuwsanker) willen werken, moeten eerst een stemtest afleggen waarbij ze onder meer ook beoordeeld worden op de ‘neutraliteit’ van hun uitspraak. De VRT heeft namelijk een taalcharter, waarin duidelijk wordt gesteld dat een neutrale, Belgisch-Nederlandse uitspraak de norm is, omdat de omroep als normbepaler (of beter, -verspreider) wil fungeren: http://www.vrt.be/taal/taalcharter, zie onder ‘Uitspraak’. (bijgewerkt in 2007: http://www.taalmail.net/teksten/charter2007.pdf)
Terwijl men in Nederland dus geleidelijk aan meer regionale variatie toelaat in actualiteits- en duidingsprogramma’s, die zelf door de Nederlanders als norm worden gezien, behoudt in Vlaanderen de VRT, en meer bepaald de nieuwsdienst, heel bewust haar voorbeeldfunctie.

Dit verschil in visie op taalnormering is het eerste belangrijke aspect waarom we uit elkaar groeien. Het tweede, en hierin kan ik korter zijn, is het verminderde onderlinge contact. Tot een stuk in de jaren 80 keken heel veel Vlamingen naar de Nederlandse televisie, omdat die op het vlak van entertainment een stuk beter was dan de Vlaamse. Op dat moment leek de Nederlandse uitspraaknorm ook nog veel meer op de Vlaamse. Met de komst van VTM, en later andere Vlaamse zenders, veranderde het kijkgedrag van de Vlaming grondig. Hij vond zijn entertainment op de commerciële Vlaamse zenders en had geen nood meer aan de Nederlanders. Net op het moment dus dat de uitspraaknorm in Nederland geleidelijk aan soepeler werd, viel het contact dat er via de media was dus voor een groot deel weg, en dat is een tweede belangrijke oorzaak van het uit elkaar groeien van die standaardtalige uitspraak.

Mij lijkt dit een relatief normale evolutie, die niet problematisch hoeft te zijn. Er zijn wel meer standaardtalen die verschillende ‘substandaarden’ hebben. Het Engels, maar ook het Frans, Spaans, Portugees, Duits,… Nergens wordt daar echt een probleem van gemaakt, men is er zich van bewust en dat is het dan. Laat dat voor het Nederlands ook de boodschap zijn.

Advertenties