OK, hier gaan we dan, Siegenbeek concreet deel 1. Hij gaat de spelling van ij, y, ei en ey na, en beregelt die.
‘De letter ij’, zegt hij, ‘ is in haren oorsprong niets anders dan de dubbele i.’ Oorspronkelijk was ij dus geen tweeklank, dat is vrij recent gekomen. In de dertiende eeuw schreef men dus gewoon een i als er geen verdubbeling nodig was (hi, bliven), en een dubbele in een gesloten lettergreep (wiin, bliif). Vrij snel kreeg die tweede i bij heel wat schrijvers een lange staart, en kregen we een ‘ij’. De uitspraak was in die tijd echter nog steeds een monoftong, de ‘ie’. Siegenbeek zelf merkt over de uitspraak op: ‘Uit dit voorgestelde blijkt, dat de Vriezen, Zeeuwen, Gelderschen en Overijsselschen (…) bij de uitspraak, den klank der enkele en dubbele i doen hooren, de echte oorspronkelijke uitspraak dezer woorden behouden hebben. De Hollandsche is algemeen verbasterd, als welk in de gemelde woorden een geluid, eenigzins zweemende naar den tweeklank ei, doet hooren’ Kortweg: in het begin van de 19de eeuw representeerde een ij zeker nog niet algemeen een tweeklank, zelfs de Hollandse wordt ‘verbasterd’ genoemd. De ‘ei’-spelling daarentegen representeert wel zonder twijfel een historische tweeklank. Het is pas sinds de 19de eeuw dat beiden in de standaardtaal zijn samengevallen, via de ‘verbasterde’ Hollandse uitspraak dus.
Maar waar blijft de y in dit verhaal? Volgens Siegenbeek hoort die oorspronkelijk niet bij ons alfabet, maar werd ze toch al vroeg (13de-14de eeuw) gebruikt ter vervanging van de enkele i. Later komt ze ook voor in tweeklanken (ui, ooi, oei). ‘Ey’ voor ‘ei’ is volgens Siegenbeek zeldzamer. Siegenbeek observeert tenslotte dat het gebruik van die y toeneemt, tot ze in de 17de eeuw vrij algemeen is voor de i (maar niet voor de dubbele ii of de ij!) Siegenbeek vermoedt hier een sterke invloed van het Frans, en aangezien het dus een ‘vreemde’ letter is, is ze voor het Nederlands compleet overbodig. Daarom bant hij de letter uit de ‘Nederduitsche’ woorden, en behoudt hij ze alleen voor woorden van vreemde oorsprong, waar ze altijd al gebruikt werd.
Uit eigen ervaring (oorkondentaal Maaseik 14de tot 16de eeuw) kan ik bevestigen dat de y in de loop van de tijd populairder werd. Waar ik in het begin van mijn onderzoeksperiode nog vaak de spelling i en ij vond in de voornaamwoorden hij en zij, maakten die in de vijftiende, en zeker zestiende eeuw heel snel plaats voor y. Ook in andere woorden werd y opvallend populairder. Toch stond het Maaseikse schrijfcentrum niet zozeer onder Franse, dan wel onder Duitse invloed. Het lijkt me dus eerder een algemeen modeverschijnsel geweest te zijn.
Samengevat: de y wordt uit de Nederlandse woorden geband, en beperkt tot woorden van vreemde herkomst. Dat betekent ook dat de historische tweeklank ‘ei’ niet meer als ‘ey’ gespeld wordt. Voor de lange i, kiest Siegenbeek voor de versie ij, net omdat voor die verbasterde Hollandse uitspraak die dubbele i vreemd, en dus niet meer aanvaardbaar is. De tijd heeft hem gelijk gegeven: inmiddels is de klank die door de ij-spelling wordt gerepresenteerd, in het hele taalgebied een ij geworden.

Advertenties