In de tweede afdeeling gaat Siegenbeek in detail in op zijn drie hoofdwetten van de spelling, namelijk uitspraak, afleiding en gebruik. Waar ik in mijn vorige post een beetje meewarig ben over Siegenbeek, is mijn respect intussen toch wat gegroeid. Ik blijf erbij dat hij zichzelf hopelijk in de knoei gewerkt heeft, omdat hij zich er wat te vaak toe liet verleiden de ‘afleiding’ boven de ‘uitspraak’ te stellen. Dat wordt in deze tweede afdeling eigenlijk extra duidelijk. Maar wat ook duidelijk wordt, is de chaos vanwaaruit Siegenbeek is moeten vertrekken om een eenduidige, eenparige spelling op te stellen die voor iedereen aanvaardbaar was. Toen hij zijn spelling opstelde, in 1803 (het was zijn proefschrift), had hij al heel wat voorgangers die heel doordacht ‘hun’ spelling gebruikten, maar er was geen eenheid. Iedere schrijver ging op zijn manier om met de erfenis van zijn voorgangers. En het was Siegenbeeks expliciete opzet om uit al die spellingen een wel doordachte en verantwoorde reeks spellingregels op te stellen. Geen sinecure dus.
Het boeiende aan deze afdeling, is de ontdekking hoe bepaalde ‘oude’ spelregels zijn ontstaan, waarbij nog nauwelijks iemand zich nog vragen stelt, maar die bij beginnende, en vaak ook gevorderde schrijvers/spellers wel eens voor problemen zorgen. En die in deze tijden van te weinig automatisering en teveel vertrouwen in de spelchecker steeds vaker de mist in gaan. Daarom is het best wel eens interessant om het waarom van die regels te achterhalen. Om de lap tekst niet opnieuw te lang te maken, zal ik elk onderwerp in een aparte blogpost behandelen. Hier volgt alvast een overzicht:
– het gebruik van ij vs. y en ei (Siegenbeek is de ‘uitvinder’ van de ij)
– de verdubbeling van de lange klinker (aa vs. ae, oo vs. oe, uu vs. ue. Hieraan hebben we het verschil in spelling tussen Vlaamse en Nederlandse plaatsnamen te danken)
– enkele en dubbele vokaalspelling in open/gesloten lettergreep (met ee en oo als uitzonderingen, die pas in de spelling van 1947 verdwenen, en de ie als uitzondering)
– de tweeklanken, waar er een paar ‘vreemde’ uitspraken als norm worden genomen (bv. het verschil tussen blaauw en paus)
– de verscherping (stemloos worden) van b, d, g, v, z op het einde van een woord (bv. geven vs. geef)
– de dt-regel

(overzicht is nog niet klaar, deze post zal nog worden bijgewerkt)

Advertenties