Op 1 september heb ik een nieuwe wending gegeven aan mijn carrière: sindsdien werk ik bij de Taaltelefoon. Het is een tijdelijke wending, want ik vervang twee Taaltelefonistes die kort na elkaar mama worden (een van hen is intussen bevallen). Voor mij is het een ideale gelegenheid om weer eens een aspect van de taalsector van dichtbij te leren kennen: de taaladviesdienst.

Na bijna twee maanden wordt het stilaan tijd om een verslagje te maken. Omdat heel wat mensen blijkbaar nog nooit van de Taaltelefoon hebben gehoord, stel ik deze schitterende dienst van de Vlaamse overheid even aan u voor.

Wat is de Taaltelefoon?

De Taaltelefoon is de externe taaladviesdienst van de Vlaamse Overheid. ‘Extern’ betekent: voor alle burgers. Wie je ook bent, je kan met al je taalvragen bij ons terecht. Wie buiten de ‘openingsuren’ belt, krijgt de Vlaamse Infolijn aan de lijn, die ons de vraag dan via mail doorstuurt. Ook als je via de website van de Taalunie, taaladvies.net, een vraag stelt, gaat die naar onze mailbox, tenminste als je een Belg bent. De taalvragen uit Nederland worden doorgestuurd naar de taaladviseurs van het Genootschap Onze Taal. De Taaltelefoon heeft ook een Facebookpagina waar mensen vragen kunnen stellen, maar dat gebeurt (nog) niet zo frequent. Sinds enkele weken kwetteren we zelfs mee op Twitter als @taaltelefoon.

Met hoeveel zijn we?

Er zijn drie Taaltelefonisten. Die mensen beantwoorden alle telefoontjes en mails en schrijven de adviezen op de website van de Taaltelefoon. Zij stellen ook de wekelijkse nieuwsbrief Taallink op, waarop iedere geïnteresseerde zich via de website kan abonneren. Het taaladviesteam zelf is wat groter. Naast de drie taaladviseurs van de Taaltelefoon zijn er nog twee die intern taaladvies geven. Zij kijken regelgevende teksten na op correct taalgebruik, werken standaardformulieren uit en beantwoorden vragen van collega’s binnen de overheid. Daarnaast is er onze collega van de Taalunie die de taaladviezen op de website van de Taalunie, taaladvies.net, voortdurend herschrijft, nieuwe kwesties erin opneemt en de resultaten van panelonderzoekjes naar standaardtaligheid verwerkt. Tenslotte zijn er nog onze eigen IT-verantwoordelijke die de website en nieuwsbrief vlot laat werken, onze bode die ons op allerlei vlakken een handje toesteekt en ons teamhoofd.

Wat doen we precies?

‘Krijgen jullie nog wel veel telefoontjes?’, is mij al gevraagd. Wel, de tijd dat de telefoon bij dergelijke informatiediensten roodgloeiend staat, ligt al een tijdje achter ons. In de beginperiode van de Taaltelefoon, nu 15 jaar geleden, was dat nog anders. De telefoon was nog een heel belangrijk middel om snel iemand te contacteren; e-mail en internet stonden immers nog in de kinderschoenen. Intussen is dat wel veranderd. Elke dag krijgen we nog wel een aantal telefoontjes, zelfs meer dan ikzelf verwacht had, maar het gebeurt nog slechts sporadisch dat de telefoon naar de tweede taaladviseur wordt doorgeschakeld omdat de eerste al bezet is. Taaladviseur nummer drie krijgt zo goed als geen telefoontjes meer. Er is wel een beurtrol, zodat iedereen om de twee-drie weken op ‘de nummer 1’ zit en de meeste telefoontjes krijgt. Maar dat betekent niet dat de andere taaladviseurs intussen met hun duimen zitten draaien. De telefoon heeft als primair contactmiddel immers plaatsgemaakt voor de mail. We krijgen dus elke dag flink wat mailtjes te verwerken met taalvragen, en die gaan dan grotendeels naar de nummer twee en drie van het moment.

Een tweede verschuiving tegenover 15 jaar geleden is dat de vragen zelf complexer zijn en wat meer opzoekwerk vragen. Dat komt omdat heel wat informatie nu gewoon online te vinden is en de meeste mensen voor de meer voor de hand liggende spellingvragen, zoals een c/k-kwestie, die informatie nu ook zelf weten te vinden. Voor spelling is er de digitale versie van het Groene Boekje, woordenlijst.org en voor de andere vragen zijn er zowel taaladvies.net als de A-Z-rubriek op de website van de Taaltelefoon zelf. Mensen gaan meestal eerst zelf op zoek, en contacteren ons pas als ze daar of elders op internet hun antwoord niet vinden. Het gevolg daarvan is dat het aantal vragen wel gedaald is, maar de complexiteit net groter is geworden.

Websites als de A-Z-rubriek komen er natuurlijk niet vanzelf. Daar wordt ook voortdurend hard aangewerkt: er worden nieuwe taaladviezen toegevoegd, oude worden herzien, links worden gecontroleerd. Tenslotte verstuurt de Taaltelefoon haar wekelijkse nieuwsbrief, met een Vraag van de Week en een Woord van de Week. De tekst zelf is nooit lang, maar het voorbereidend zoek- en denkwerk valt niet te onderschatten.

Hoe waren die eerste maanden nu?

Boeiend, fijn, fantastisch, druk, vermoeiend. Ik denk dat dat een goede samenvatting is. Ik was zelf al een paar maanden bezig met uitzoeken hoe taaladviezen nu tot stand kwamen, wie ze opstellen en hoe, wat de huidige houding is tegenover Belgisch Nederlands, enz. Ik dacht dat ik er al vrij goed van op de hoogte was toen ik bij de Taaltelefoon begon, maar ik merkte al snel dat ik mijn ideeën wat moest bijstellen. De Taaltelefoon en de Taalunie zijn veel sterker met elkaar verstrengeld dan ik dacht, en de taalvragen zijn vaak complexer (en dus boeiender) dan ik vooraf had ingeschat. Het zwaaiende ‘mag niet/mag wel’-vingertje heeft al jaren geleden plaatsgemaakt voor inhoudelijk genuanceerde adviezen.

Het is alvast een heel verrijkende ervaring geweest. En er staat nog een en ander op stapel, waar ik voorlopig nog niets over kan zeggen. Behalve dit: abonneer je op Taallink, volg @taaltelefoon op Twitter en hou de komende weken je mailbox, Twitter en de Facebookpagina van de Taaltelefoon in de gaten!

Advertenties