Tags

, , ,

Het moet ergens midden of einde maart geweest zijn, dat taalraadsman Ruud Hendrickx de volgende vraag op zijn facebookpagina plaatste: mag het woord ‘obus’ gebruikt worden in het VRT-journaal? Dat lijkt een vreemde vraag, en daarom kader ik die even. Het woord ‘obus’ is heel bekend in Vlaanderen, maar helemaal niet bij onze noorderburen. Daarom heeft het ooit het label ‘Belgisch Nederlands’ gekregen. Volgens het taalcharter van de VRT moeten nieuwslezers, journalisten en presentatoren Algemeen Nederlands gebruiken, en daar hoort dit woord bij (zie Taalmail 320 uit 2007). Maar door allerlei discussies in allerhande media over welke taalvariant nu op tv door wie gehanteerd mag worden, vond de taalraadsman de vraag bij dit woord wel relevant. En omdat ik hem ook nog eens intrigerend vond, ben ik in de woordenboeken en de geschiedenis gedoken. Mijn conclusie: ‘obus’ is wel degelijk standaardtaal in België, Belgisch Nederlands dus, met als betekenis ‘granaat uit de Eerste Wereldoorlog’. Hieronder leg ik uit waarom.

Het verraste mij te vernemen dat ‘obus’ niet als AN wordt (of werd) beschouwd. Voor mij is een obus namelijk niet zomaar een granaat, maar eentje die onlosmakelijk verbonden is met de Eerste Wereldoorlog. De projectielen die in de velden van de Westhoek regelmatig bovengewoeld worden, dat zijn een specifiek soort granaten, namelijk obussen. Uit de reacties bij onder meer Ruud Hendrickx bleek ik hier niet alleen in te staan. Hier lijkt dus meer aan de hand te zijn dan de vraag: AN of niet?

Laat me in de eerste plaats de mogelijke ‘hokjes’ eens op een rijtje zetten. Taal bestaat namelijk uit registers, uit ‘soorten’ taal die je gebruikt naargelang de situatie en je gesprekspartners. Je zal anders spreken en schrijven met een toekomstige werkgever tijdens je contractonderhandelingen dan met je vrienden aan de toog van het plaatselijke café (of tijdens een chatgesprek). Er zijn zo tal van registers, maar voor de duidelijkheid beperk ik me hier tot vier, die samen een soort schaal vormen:

–          Algemeen Nederlands (of AN): dat is de standaardtaal, de variant die we verondersteld worden op school te leren, die in het hele taalgebied door iedereen begrepen wordt en die als neutraal wordt beschouwd.

–          Dialect of streektaal staat aan het andere uiteinde van de schaal. Een dialect wordt in een specifieke ruimte gesproken en begrepen. Er is ook maar een beperkt aantal mensen die een specifiek dialect beheerst, namelijk degenen die in die specifieke ruimte zijn geboren en opgegroeid en die het plaatselijke dialect hebben geleerd, vaak als moedertaal. Dialect heeft meestal ook een informeel karakter, op enkele uitzonderingen na wordt het alleen in intieme vrienden- en familiekring gebruikt. Het wordt ook heel weinig geschreven. Een voorbeeld is het West-Vlaamse woord ‘stuutjes’ voor boterhammen.

–          Tussentaal heeft een aparte status. Het is de variant die in een heel ruime regio vrij algemeen gebruikt wordt, maar is beperkt tot informele situaties. Deze variant bevat woorden en grammaticale constructies die dus in een heel brede regio (vrijwel heel Vlaanderen) worden begrepen en vaak ook gebruikt, maar waarvan de gebruikers heel goed weten dat ze niet tot het AN behoren. Daarom wordt deze variant ook niet als AN beschouwd en gebruikt. Een voorbeeld is ‘wazeidegij’, voor ‘wat zei je.’

–          Belgisch Nederlands maakt wel deel uit van het AN, maar het gaat hier – voornamelijk – om woorden die bijna uitsluitend in het zuiden bekend en gebruikelijk zijn. Vaak gaat het om juridische en bestuurlijke begrippen die je niet zomaar door hun noordelijke equivalenten kan vervangen. Een voorbeeld daarvan is ‘schepen’ versus ‘wethouder. De laatste decennia zijn daar ook meer algemene woorden zoals ‘confituur’ bij gekomen.

Op deze manier lijkt het niet zo moeilijk om de verschillende registers van elkaar te onderscheiden, maar in de praktijk blijken die grenzen lang niet zo duidelijk. Met name tussentaal en Belgisch Nederlands kan je vaak niet eenduidig van elkaar scheiden. Er is daar een heel brede grijze zone. Dat komt omdat er geen objectieve criteria zijn om te bepalen wat wat is, waar dat bij AN (door de meeste mensen begrijpelijk in het hele taalgebied, neutraal) en dialect en streektaal (heel beperk in ruimte) wel het geval is. Het enige echte criterium dat tussentaal scheidt van Belgisch Nederlands, is dat van aanvaardbaarheid. Wordt het woord of de constructie in kwestie aanvaard als Algemeen Nederlands, met de beperking dat het vooral gebruikelijk is in het zuiden van het taalgebied, of wordt het in de eerste plaats als een streektaalwoord (of –constructie) aangevoeld dat (die) zich toevallig over een groot deel van Vlaanderen heeft verspreid? Het is duidelijk dat daar heel vaak discussie en onenigheid over is.

Aangezien ‘obus’ niet bekend is in Nederland, kunnen we het niet beschouwen als volledig neutraal AN-woord. Om te bepalen of ‘obus’ toch een acceptabel woord is voor het VRT-journaal, moet je dus achterhalen of het een tussentaalwoord is (dialect of een barbarisme dus), of Belgisch Nederlands.

Het eerste dat ik deed, was in zoveel mogelijk bestaande dialectwoordenboeken nagaan of het erin opgenomen is. Dat zou een teken kunnen zijn dat het woord als dialect wordt beschouwd. Het kan ook vrij makkelijk via de woordenbank van Variaties, waarin intussen al heel wat lokale woordenboeken zijn opgenomen. ‘Obus’ staat in drie woordenboeken vermeld, namelijk het Gentse (1950-1952), het Kortrijkse (1999) en het West-Vlaams zakwoordenboek (2001). Dat lijkt op het eerste zicht een argument pro dialect, maar daartegenover staat dat het niet is opgenomen in de meer dan 20 andere woordenboeken, en dat het Kortrijkse en het West-Vlaamse woordenboek door dezelfde auteur zijn opgesteld. Er zijn dus maar twee auteurs die het als dialect beschouwen. Opvallend is ook dat de link met de Eerste Wereldoorlog in deze woordenboeken niet wordt gelegd. Een obus is een granaat.

Vervolgens wilde ik nagaan of het woord in dialectvragenlijsten is opgevraagd, en of dat ergens het woord ‘obus’ opleverde. Dat zou er namelijk ook op wijzen dat het door de respondenten als dialectwoord wordt beschouwd. Helaas stammen de belangrijkste verzamelingen van dialectmateriaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en bestond het hoofdopzet er toen vooral in de oude dialectwoordenschat te verzamelen voor ze zou verdwijnen. Moderne oorlogsterminologie hoorde daar niet bij, en is dus nooit opgevraagd.

Ten slotte heb ik het Woordenboek der Nederlandsche Taal geraadpleegd. Het WNT is opgesteld tussen 1864 en 1998 en beschrijft zoveel mogelijk Nederlandse woorden en uitdrukkingen van 1500 tot 1976. ‘Algemeen Nederlands’ kon zo geen criterium zijn, aangezien dat pas een recent begrip is. Het woord staat in het WNT met de volgende omschrijving: ‘Uit fr. obus (1697, reeds 1515 in den vorm hocbus < du. haubitze `houwitser’); zoo ook eng. obus (1871). (Vl.-België) Projectiel van een kanon; granaat.’ Een paar opvallende vaststellingen hier: 1) Het woord is pas in 2001 toegevoegd in de bijlagen, en werd dus niet opgenomen in het deel O. Was het toen nog niet voldoende bekend, of kwam het gewoon niet voor in de geraadpleegde geschriften? 2) Het label ‘Vl.-België’ heeft hier een puur geografische functie. Het wijst erop dat het in het noorden niet of amper bekend is. 3) Er is wel een eerste vindplaats opgenomen voor het Frans en het Engels, maar niet voor het Nederlands.

De informatie uit het WNT versterkt mijn vermoeden dat het woord obus samen met de projectielen tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Nederlands terecht is gekomen. Een extra bevestiging voor die stelling vond ik in het volgende boekje: ‘Soldatentaal der Beligerenten uit de eerste wereldoorlog : verklarend woordenboek, gezegden, termen en uitdrukkingen uit het Duits, Engels, Frans en Vlaams’ van Tony R. De Bruyne (1994). Ook hier is het woord ‘obus’ opgenomen, tussen alle andere wapenterminologie uit deze periode.

Als dit woord Belgisch Nederlands is, moet het ooit wel in de Belgisch Nederlandse woordenschat terecht zijn gekomen en niet in de Nederlandse, op een moment dat er geen Nederlandstalig alternatief voorhanden was. Om te achterhalen of dat hier het geval is, heb ik me verdiept in de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog.

–          Voor de Eerste Wereldoorlog waren zowel België als Nederland waren neutraal. Dat was al zo toen België onafhankelijk werd van Nederland. Beide landen moesten een soort buffer vormen tussen aartsvijanden Duitsland (toen in de eerste plaats Pruisen) enerzijds en Frankrijk en Engeland anderzijds. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd de Nederlandse neutraliteit wel gerespecteerd, maar België werd door Duitsland gedwongen partij te kiezen. De Duitse keizer eiste namelijk vrije doorgang door België naar Frankrijk. Als de koning dat toestond, zou hij in feite partij kiezen voor Duitsland en dat kon niet vanwege de Belgische neutraliteit. Hij weigerde dus, Duitsland verklaarde de oorlog aan België en trok het land binnen, met de bekende gevolgen. Nederland bleef tijdens de hele oorlogsperiode neutraal.

–          Het front lag voor een belangrijk gedeelte op Belgisch grondgebied, en daar vochten naast de Belgische soldaten ook Engelse en Franse. De voertaal in het Belgische leger was, hoewel het merendeel van de gewone soldaten Vlamingen waren, het Frans. De Vlaamse soldaten leerden de belangrijkste bevelen en termen in het Frans snel genoeg, en waarschijnlijk was ‘obus’ er daar een van.

–          Aangezien Nederland neutraal was, vochten er geen Nederlandse soldaten mee aan het front. Toch niet officieel: de Nederlanders die als vrijwilliger meevochten met bijvoorbeeld Engelse, Canadese of andere legers, moesten daarvoor hun Nederlandse identiteit opgeven. Daarnaast waren er ook de Nederlanders die in het eerste decennium van de twintigste eeuw geëmigreerd waren naar Australië en Canada. In de Canadese en Australische legers vochten dus ook Nederlanders mee die intussen de Canadese of Australische nationaliteit hadden. Alles bij elkaar waren dat relatief weinig soldaten en een aantal van hen was vermoedelijk intussen ook Engelstalig.

Wat betekent dit nu voor onze obus? De reden waarom dit woord niet tot de Noord-Nederlandse woordenschat is doorgedrongen, lijkt me eerder historisch dan taalkundig. Voor de Eerste Wereldoorlog was men helemaal niet vertrouwd met projectielen als granaten. Het was vredestijd, en bovendien behoorden granaten tot modern wapentuig. Het Belgische leger was, vanwege de neutraliteit, klein en ouderwets, en niet vertrouwd met moderne wapens. De Vlaamse soldaten leerden de granaten pas kennen in de loopgraven van de Westhoek, en de benaming ervoor leerden ze via hun Franstalige oversten. Aangezien ze er zelf geen ander woord voor kenden, namen ze die benaming over. In de loopgraven waren er geen Nederlandse soldaten die wel een alternatief woord zouden kunnen kennen (‘granaat’) of die het woord ‘obus’ mee zouden kunnen nemen naar het noorden. Vlaamse vluchtelingen die in Nederland terechtkwamen, kenden het projectiel niet, aangezien de obussen zelf in en rond de loopgraven werden gelanceerd.

In de Tweede Wereldoorlog was Nederland was wel betrokken partij. Legers en wapens waren in de dertig jaar die het interbellum duurde overal sterk gemoderniseerd en het woord ‘granaat’ was (en is) het algemene woord voor de projectielen die via kanonnen, tanks en dergelijke gelanceerd worden. Alleen had de obus toen in Vlaanderen al letterlijk en figuurlijk wortel geschoten. Iets dat jarenlang dagelijkse kost was, en dat een eeuw later nog regelmatig wordt bovengewoeld, krijgt niet plots een andere naam. Waarschijnlijk heeft de synonymievrees hier onbewust een rol gespeeld, een spontaan taalmechanisme waarbij woorden die in eerste instantie synoniemen zijn toch een lichtjes andere betekenis krijgen. ‘Obus’ werd gereserveerd voor de projectielen uit de Eerste Wereldoorlog, ‘granaat’ voor de latere projectielen.

Hieruit concludeer ik dat ‘obus’ geen dialectwoord of gallicisme is dat het tot tussentaalwoord heeft gebracht, maar dat het echt wel Belgisch Nederlands is. Het is via de militaire woordenschat in heel specifieke omstandigheden in de Belgisch Nederlandse woordenschat terechtgekomen. Dat maakt het woord tot een stukje immaterieel erfgoed in onze woordenschat, een getuigenis van een hoofdstuk in onze geschiedenis dat er voor België helemaal anders uitziet dan voor Nederland. ‘Obus’ opnemen in het AN, Belgisch Nederlands, als ‘granaat, militaire term uit de Eerste Wereldoorlog’, zou recht doen aan zowel het woord zelf als aan de geschiedenis erachter.

 

Advertenties