Tags

, , ,

De negentiende eeuw was een periode waarin heel wat wetenschapstakken, vooral in de cultuurwetenschappen het levenslicht zagen. We spreken over de romantiek, een tijd waarin de belangstelling voor de eigen geschiedenis, cultuur en herkomst groot was en men daar meer over wilde weten. Het was de tijd van zowel de sprookjes als de klankwetten van Grimm, van de Leeuw van Vlaanderen, van de ontdekking van de taalfamilies. Op het einde van de 19de eeuw kreeg de KU Leuven een opleiding Germaanse Filologie, en binnen die opleiding namen de historische taalkunde en de dialectologie vrij snel een belangrijke plaats in.

In die periode rondde een zekere Pieter Willems uit Maastricht zijn studie klassieke filologie in Leuven af. Zoals dat toen ging, was hij na vier jaar studie ‘doctor’. Pieter Willems moet, ondanks zijn achtergrond als klassiek filoloog (Latijn en Grieks), een fascinatie hebben gehad voor de dialecten in het Nederlandse, en bij uitbreiding het Nederfrankische gebied. In 1885 kwam hij naar buiten met zijn vragenlijst, die hij in 349 plaatsen verspreid over het hele gebied liet opvragen. Dit project is om twee redenen uitzonderlijk. Ten eerste was het weliswaar niet de eerste dialectenquête in het Nederlandse taalgebied (dat waren de vertaling van de parabel van de verloren zoon in 186 dialecten, verzameld door Johan Winkler in 1874 en de vragenlijst van het Aardrijkskundig Genootschap van Nederland in 1879), maar wel de eerste die in het hele Nederlandse taalgebied, met inbegrip van België werd verspreid. Ten tweede was het een heel uitgebreide vragenlijst, het waren schriftjes van elk 58 pagina’s, waarin zowel woorden werden opgevraagd als grammaticale aspecten (enkelvoud en meervoud, vervoegingen van werkwoorden). Dit is des te opmerkelijker, aangezien Willems amper woordenboeken had om zich op te baseren voor de op te vragen woorden (hij gebruikte ook dialectwoorden in zijn lijst) en er nog helemaal geen syntactisch onderzoek van het Nederlands bestond. Om deze vragenlijst samen te stellen, moet hij zich vooraf dus eerst zelf een goed beeld gevormd hebben van de dialecten die hij wilde bevragen. Hij moet er zich vooraf een idee van gevormd hebben welke woorden en begrippen de moeite waard waren om op te vragen, en welke ‘kapstokwoorden’ hij moest gebruiken om een beeld te krijgen van de meervoudsvorming en de vervoeging van de werkwoorden. Bovendien heeft hij eerst een uitgebreid netwerk respondenten moeten uitbouwen van mensen die hij zijn schriftjes kon toesturen om te laten invullen.

Eigen aan pionierswerk is dat het zelden zonder gebreken is. Het grootste probleem van de enquête-Willems bleek uiteindelijk de omvang. Er zijn amper schriftjes die volledig zijn ingevuld, er zijn er heel wat waar de respondent er halverwege de brui aan gegeven heeft, die alleen maar de meest opvallende verschijnselen voor hun dialect hebben ingevuld of die met een systeem van kruisverwijzingen werkten. Dat maakt dat het materiaal heel onvolledig is, en lastig te doorzoeken. De betrouwbaarheid wisselt sterk van schriftje tot schriftje (later hebben taalkundigen een soort evaluatiesysteem gebruikt om de schriftjes op te beoordelen) en heel wat respondenten kenden geen fonetisch schrift, waardoor de fonologische informatie vaak ook heel bedenkelijk is.

Toch kan het belang van deze enquête moeilijk overschat worden. In de eerste helft van de twintigste eeuw was het de enige bron die dialectonderzoekers hadden voor het zuidelijke gedeeltelijk van het taalgebied, en daar is dan ook uitgebreid uit geput. Met name Van Ginneken, Weijnen en hun medewerkers hebben deze schriftjes als bron gebruikt voor heel wat taalkaarten. Maar ook later, toen er andere materiaalverzamelingen waren, heeft zowat elke dialectoloog en elk dialectologisch project gebruik gemaakt van de enquête-Willems. Ondanks de gebreken blijft het de enige bron met 19de-eeuws dialectmateriaal, zeker voor het zuiden van h
et taalgebied. Bovendien blijkt de indeling in dialectgebieden, die Willems zelf op basis van zijn enquête heeft opgesteld (zijn ‘Taferelen’), achteraf verrassing accuraat. Er werden ook lessen getrokken uit de gebreken van de enquête: latere vragenlijsten waren beknopter, respondenten werden gerichter gezocht en er werd ook gerichter geënquêteerd.

Hoewel Pieter Willems zelf waarschijnlijk van plan was een soort klank- en vormleer van het Nederlands op te stellen op basis vWillems: de microfichesan zijn verzameling, is die publicatie zelf er nooit van gekomen. Zelf is hij relatief jong gestorven, hij heeft dus de kans niet meer gehad om het materiaal zelf verder uit te werken. Maar ook de aard van het materiaal, en vooral de manier waarop het tot stand was gekomen,
maakte een publicatie ervan vrijwel onmogelijk. Om het toch toegankelijk te maken en te houden (de
schriftjes waren van slechte papierkwaliteit en dreigden stilaan te vergaan), heeft het Meertens Instituut in 1976 wel alle schriftjes, of ten minste de bladzijden die beschreven zijn, gefotografeerd en op microfiche laten zetten. Van deze microfiches zijn zes kopies gemaakt, die verspreid zijn over de instituten en universiteiten waar met dit materiaal werd en wordt gewerkt. Helaas zijn er voor
die tijd acht schriftjes verloren gegaa
n, die dus ook niet op microfiche staan. Dankzij deze operatie bleven de schriftjes toegankelijk als onderzoeksmateriaal, maar toch
was het nog steeds een omslachtige karwei om ze te bekijken.

Bovendien is het niet meer van deze tijd. Zoals ik in mijn inleiding al zei: de moderne onderzoeker maakt gebruik van corpora op het internet, of op zijn minst van digitale bronnen. Daarom besloot de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) te Gent, die de schriftjes sinds 1945 in haar bezit heeft, via een projectsubsidie de schriftjes digitaal ter beschikking te stellen. De microfiches werden ingescand, en er werd een software ontworpen waarmee de gebruiker gericht op zoek kan naar bepaalde woorden en/of in bepaalde plaatsen. De fragiele schriftjes hoeven hun rustplaats niet meer te verlaten, de microfiches en het bijhorende leesapparaat zijn overbodig geworden, het negentiende-eeuwse materiaal is veilig en wel in de 21ste eeuw beland. U kunt ze hier zelf bekijken: http://corpora.ctb.kantl.be/CPWNL/CPWNL.xq

 

Advertenties