Tags

, , , ,

Sinds enkele weken loopt er een petitie met als titel Nederlands Vanzelf Sprekend, die ijvert voor meer eenheid in het Nederlands, naar aanleiding van ‘een artikel in De Standaard waarin gesteld werd dat het Nederlands in Vlaanderen en Nederland uit elkaar groeit en dat niemand dat erg schijnt te vinden’, vreemd genoeg zonder exacte bronvermelding of link naar het artikel in kwestie. Onlangs hebben enkele Nederlandse kranten dit initiatief ontdekt en als nieuws naar buiten gebracht, en naar aanleiding van Natalia’s presentatie van de Mia’s is de ‘oprukkende tussentaal’ ook weer in Vlaanderen een hot item (zoals in het radio1-programma Hautekiet).

Dat de tussentaal in Vlaanderen nieuws is, en vooral voer voor heftige discussies, dat op zich is niets nieuws. Minstens een keer per jaar is er wel een aanleiding om wat artikels, opiniestukken en/of radioprogramma’s aan die vermaledijde tussentaal te wijden. Het is een onderwerp dat een gegarandeerde forumvuller is, elke keer weer. En dat is altijd interessant voor media die leven van de discussie. Nieuw is wel, dat het dit keer ook Nederland bereikt. Vandaar dat het tijd is om enkele zaken te verduidelijken.

1) Om je mening over iets te kunnen vormen, is het altijd handig te weten waar je het over hebt. Een eerste logische vraag is dus: ‘wat is tussentaal?’ En daar begeven we ons al in een moeras. Objectief genomen zou je tussentaal kunnen definiëren als ‘alle taal die tussen standaardtaal en dialect ligt’. Dat impliceert ook dat zodra taalgebruik ook maar een beetje afwijkt van een van die twee uiterste polen, je te maken zou hebben met tussentaal. Concreet: als je accentloos AN spreekt, maar woorden als ‘hesp’ (ham) en/of ‘tas’ (kopje) gebruikt, spreek je tussentaal. Aan de andere kant van het spectrum: als je uit Limburg komt, je plaatselijke dialect spreekt maar als voornaamwoord ‘gij’ gebruikt in plaats van ‘du’ of ‘djee’ (de Limburgse dialectvormen voor de tweede persoon enkelvoud), dan spreek je in principe ook tussentaal. Zo breed interpreteert vrijwel niemand deze term. Maar hoe breed dan wel? Wel, dat hangt heel sterk van persoon van persoon af, en meer bepaald van twee factoren: hoe ‘streng’ ben je voor vormen die niet strikt AN zijn en – vooral – wat is je eigen talige achtergrond? Het is namelijk perfect normaal dat je vormen die niet tot je eigen streektaal horen als afwijkender ervaart van de norm als vormen die daar wel toe horen. Concreet: een Antwerpenaar zal niet zo snel vallen over een i die als ie wordt gerealiseerd (dik – diek) dan een West-Vlaming. Omgekeerd zal een West-Vlaming minder problemen hebben met een g die naar een h zweemt dan die Antwerpenaar. De enige definitie van ‘tussentaal’ die algemeen aanvaard is, is eigenlijk ‘een taal die geen goed dialect is en niet goed (genoeg) om voor standaardtaal door te gaan’.  Dat maakt dat in de term ‘tussentaal’ een negatief oordeel ingebakken is. Het spreekt dan vanzelf dat zodra zo’n term in een artikel, opinie of petitie opduikt, er onmiddellijk een polarisatie pro en contra is. Zonder dat iedereen het noodzakelijk over hetzelfde heeft.

2) De petitie gaat uit van de stelling dat het Nederlands in Vlaanderen en en dat in Nederland uit elkaar groeien. Ook daar wordt nergens vermeld waar deze vaststelling op gebaseerd is, tenzij ‘een artikel in De Standaard’. In de praktijk is het zo dat het Nederlands in Nederland en Vlaanderen nooit een eenheid heeft gevormd, in die zin dat de hele bevolking identiek dezelfde standaardtaal hanteerde, en zeker niet dat diezelfde bevolking die als moedertaal had. Dat is zelfs nooit volledig bereikt in Nederland alleen. Hoewel de standaardisering daar inderdaad verder gevorderd is dan in Vlaanderen, kan je aan het accent van de meeste Nederlanders horen van welke regio van het land ze afkomstig zijn. Het is ook een illusie te denken dat miljoenen mensen, verspreid over twee landen, ooit echt identiek dezelfde taal zullen spreken. Er zal altijd regionale variatie zijn, en daar is op zich niets mis mee. Dat de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen nu groter zijn dan pakweg twintig jaar geleden, heeft minder te maken met ‘Nederland en Vlaanderen die uit elkaar groeien’ dan met een grotere erkenning voor variatie die er in de praktijk altijd al is geweest. Tot begin de jaren negentig was er namelijk geen discussie: de Nederlandse woordenschat en grammatica was ‘de norm’ en de Vlamingen hadden zich maar aan te passen. Dat maakt dat de Vlamingen wel vertrouwd waren met de Nederlandse norm (want dat was ‘de juiste’), maar dat de Nederlanders amper geconfronteerd werden met de alternatieven die in Vlaanderen gangbaar zijn. Sinds de jaren negentig is er een soort emancipatiebeweging op gang gekomen, waarbij Belgisch Nederlandse woorden en (in mindere mate) grammaticale constructies steeds meer aanvaard werden als gelijkwaardig naast de noordelijk Nederlandse woorden, zeker als die laatsten in het zuiden helemaal niet gangbaar waren. Dat maakt dat Vlamingen zich minder krampachtig aanpassen aan Nederland, en men in Nederland dus plots veel vaker ‘rare’ zuidelijke woorden leert kennen. Dat is nieuw, en ik geloof best dat dat voor heel wat Nederlanders wennen is. Aan de andere kant hoeft dit niet bedreigender zijn voor de onderlinge verstaanbaarheid dan het verschil in uitspraaknormen, dat al veel ouder is en dat intussen aan weerszijden van de rijksgrens algemeen is geaccepteerd. Gek genoeg zijn het net de uitspraakverschillen die onderlinge verstaanbaarheid meer bemoeilijken dan hier en daar een verschil in woordenschat.

3) Een ander aspect waar een opiniemaker weleens bezorgd om is, is de ‘oprukkende tussentaal op tv’, die de taalverloedering in Vlaanderen in de hand zou werken. Want als we de tv al niet meer hebben om ons de norm voor te houden, waar gaan we hem dan leren? Twee bedenkingen hierbij:

– Er wordt nogal gemakkelijk vanuit gegaan dat de tussentaal op tv (of beter: programma’s waarin geen standaardtaal wordt gebruikt) een hoge vlucht heeft genomen sinds het ontstaan van de commerciële omroep. Dat klopt niet.  Al van in het begin van de openbare omroep bestonden er programma’s waarin dialect of op zijn minst sterk regionaal gekleurd Nederlands werd gesproken. De kandidaten in de eerste spelprogramma’s hadden een regionaal accent, de mensen die voor humaninterestprogramma’s als Echo (jaren 70) werden geïnterviewd, spraken meestal geen ABN, immens populaire reeksen als ‘Wij Heren van Zichem’ (begin jaren 70), ‘De collega’s’ (begin jaren 80) en ‘Het pleintje’ (jaren 80) speelden net met de variatie in streektaal-regionaal gekleurde standaardtaal-standaardtaal. Het is wel zo dat de laatste jaren ook presentatoren van amusementsprogramma’s zoals ‘Dagelijkse kost’, ‘De slimste mens’ en dergelijke geen vlekkeloos accent meer hoeven te hebben, en dat de persoonlijkheid van de presentator primeert. Hij of zij moet natuurlijk wel verstaanbaar blijven. Nieuwsankers en presentatoren van duidingsprogramma’s moeten wel nog steeds een accentloos Nederlands hanteren, omdat bij dit type programma’s de boodschap centraal staat en die dus niet gehinderd mag worden door mogelijke ergernissen bij het publiek. Dit valt allemaal onder het taalcharter van de VRT. Wat ook klopt, is dat de commerciële televisie in Vlaanderen de rol van de Nederlandse tv-stations overgenomen heeft, en dat daardoor het contact dat Vlamingen hadden met het noordelijke Nederlands plots vrijwel volledig wegviel. Dat zal het gevoel dat de taalvarianten aan weerszijden van de taalgrens uiteengroeien wel vergroten, maar betekent dat dan dat we de klok kunnen, willen en moeten terugdraaien en weer meer naar de Nederlandse televisie moeten kijken? De opstellers van bovenvermelde petitie doen net deze suggestie niet.

– Andersom is het een illusie dat ‘de bevolking’ via tv AN zal leren, zelfs al staat ze ervoor open. Het bewijs is immers al lang geleverd: ondanks jarenlange selectie van radio- en tv-presentatoren op hun correcte taalgebruik, ondanks bestaande trainingen om dat Nederlands onder de knie te krijgen, ondanks programma’s als ‘Hier spreekt men Nederlands‘, die jarenlang gelopen hebben en ook druk bekeken werden, ondanks al die intensieve drilpogingen blijkt uit dit soort petities dat de gewenste norm in Vlaanderen, ‘iedereen accentloos en correct Nederlands’, niet gehaald is. Intussen is diezelfde norm in Nederland, zeker wat betreft uitspraak, verwaterd en is er wat meer tolerantie voor regionale accenten en verschillen, wat maakt dat zelfs nieuwsankers in het noorden geen neutrale uitspraak meer hoeven te hebben. De enige norm is daar ‘duidelijk en aangenaam om naar te luisteren.’

 

Ondanks de eeuwenlange pogingen om de taal te regelen, in regels te vatten en zoveel mogelijk mensen binnen dezelfde taalgemeenschap dezelfde taal te laten spreken, is taal een veel te onvatbaar, levendig, organisch groeiend verschijnsel om zich in voorschriften te laten vatten. Er zal altijd een behoefte zijn om elkaar te verstaan, en met de grote mobiliteit van vandaag zal taal daar alleszins naartoe evolueren. Betekent dit dan dat we helemaal geen standaardtaal nodig hebben? Dat ook weer niet. Net vanwege die onderlinge verstaanbaarheid is een na te streven en officieel vastgelegde norm best wel handig, naast het besef dat niet iedereen die zal, en zelfs hoeft te bereiken, en dat die zelfs niet in elke situatie gewenst is.

Of tussentaal ooit de norm in Vlaanderen zal worden, dat betwijfel ik. Een standaardtaal is ooit ontworpen, geconcipieerd, neergeschreven in een model, en dan pas gepromoot, in een tijdsgeest waarin dit mogelijk was en nuttig leek. Dat is niet de tijdsgeest van vandaag. Ik verwacht dat de tussentaal op termijn zal groeien tot een algemeen geaccepteerde omgangstaal in Vlaanderen, waarbij een aantal regionale accenten en eigenaardigheden het zullen overleven, en dat daarnaast in bepaalde, duidelijk afgegrensde situaties ruimte zal blijven voor een genormeerde standaardtaal, die de ene al beter zal beheersen dan de andere. Ongeacht alle petities en presenterende zangeressen die nog zullen volgen.

Advertenties