Ik heb het in een vorige blog al over Anna gehad. Toen in Man over Woord anderstaligen werden opgevoerd om hun visie op het Nederlands te geven (door Nederlands-onkundigen: http://www.canvas.be/programmas/man-over-woord/server1-7bfd5690%3A13b664db193%3A-7f80 en door mensen die Nederlands geleerd hebben http://www.canvas.be/programmas/man-over-woord/server1-7bfd5690%3A13b664db193%3A-7f80), heb ik haar de filmpjes getoond. Ze kan zich er volledig in vinden. En dan vooral in de opmerking over die zinsstructuur. Ondanks haar ruime talenachtergrond (ze is dus viertalig, en dan nog eens uit drie verschillende taalfamilies), worstelt ze er enorm mee, en vooral de bijzinsvolgorde is compleet onnatuurlijk voor haar. Net zoals voor alle andere Engels- en Franstaligen. Want uiteindelijk beheersen de meeste anderstaligen minstens al een van die twee talen. Waar gaat het eigenlijk over?
Het Nederlands is een taal zonder (actief gebruikte) naamvallen. Hoera, lekker simpel, hoor ik je zeggen, maar dat heeft zo zijn gevolgen. Naamvallen maken namelijk duidelijk welke functie elk zinsdeel (elk infogeheeltje) heeft. Als die naamvallen verdwijnen, moet dat op een andere manier gebeuren. Gedeeltelijk hebben de voorzetsels die job overgenomen, maar niet elk zinsdeel begint met een voorzetsel. Vandaar dat de plaats in de zin ook cruciale info geeft. We weten bv. allemaal onbewust dat het stukje zin dat tegen het werkwoord plakt het onderwerp is, de hoofdrolspeler in de zin. Een meewerkend voorwerp komt meestal voor een lijdend voorwerp (‘Zij geeft dat kind die hond’ betekent iets anders dan ‘Zij geeft die hond dat kind’). Enzovoorts. Wij ‘weten’ dat, omdat we daarin zijn opgegroeid, maar voor iemand die dat moet leren, is dat echt niet zo simpel. Zeker niet als je in je moedertaal een compleet andere structuur, met andere principes, gewend bent. Dat is dus probleem 1.
Probleem 2 is dat wij niet 1 vaste volgorde voor onderwerp en werkwoord hebben, maar 3. En je kan die niet onderling uitwisselen. Volgorde 1 is de neutrale hoofdzinvolgorde. ‘Ik ben gisteren aangekomen.’ Onderwerp – werkwoord – rest – tweede stuk werkwoord. Dat is al heel vervelend voor Engels- en Franstaligen, omdat zij alle onderdelen van hun werkwoord samen houden: ‘I did arrive yesterday.’ Zij zijn het dus niet gewoon om tot het einde van de zin te wachten tot het inhoudelijk ‘echte’ werkwoord eraan komt.
Volgorde 2 is de inversie in de hoofdzin. Dat krijg je als je een vraag stelt (‘Ben je gisteren aangekomen?’) of als je de zin met iets anders begint dan het onderwerp, omdat je het wil benadrukken (‘Gisteren ben ik aangekomen’ / ‘Wanneer ben je aangekomen?’). Opnieuw vreemd voor Frans- en Engelstaligen. Zij kennen die volgorde wel, maar dan naast de ‘gewone’ volgorde. Zeker bij de mededelende zin is die omdraaiing heel vreemd voor hen.
En alsof dat nog niet erg genoeg is, hebben we nog nummer 3, de bijzinsvolgorde. Waar je als docent er bij hoofdzinnen op drukt dat er echt heus helemaal niks tussen dat onderwerp en dat werkwoord mag komen, daar moet je dat principe compleet overboord gooien in de bijzin. ‘Ik zeg, dat ik gisteren ben aangekomen.’ Onderwerp – rest – werkwoord – rest werkwoord. Dus op het moment dat je anderstalige leerling denkt: ‘Ha, ik heb het door, werkwoord en onderwerp plakken altijd tegen elkaar’, en dat begint stilaan te lukken, (Hij zegt bv. niet meer ‘Ik niet vind dat leuk.’), kan hij dat weer helemaal overboord gooien voor die bijzin (‘dat ik dat niet leuk vind.’) Zucht, denkt die dan. En ‘moeilijk’.

Wie denkt aan een taal leren, denkt in de eerste plaats aan woordjes. En in de tweede aan werkwoordstijden, of naamvallen. Lijstjes dus, om uit het hoofd te leren. Dat valt nog mee. Als je een taal ècht goed wil leren spreken, moet je zinsstructuur goed zitten, en dat is een pak lastiger. Over een woord, of een werkwoordstijd kan je even nadenken, zelfs in het vuur van een gesprek, maar over de plaats van je woorden niet. Dat moet van de eerste keer juist zijn. En daardoor vallen mensen die de taal op een heel hoog niveau beheersen net hier door de mand. Als ze ‘Morgen ik heb een vergadering’ zeggen, bijvoorbeeld.

Lesgeven aan anderstaligen doet je nadenken over je eigen taal. Je vindt je moedertaal zo vanzelfsprekend, zo logisch, zo eenvoudig dat je het je moeilijk kan voorstellen dat iemand ermee zou worstelen. Maar andere talen hebben andere systemen die op zich, als je ze als kind leert, ook logisch, eenvoudig en vanzelfsprekend zijn. Tot je ze als volwassene verwerkt moet zien te krijgen. En het is echt niet eenvoudig om je een structuur eigen te maken die helemaal ingaat tegen wat je als ‘normaal’ ervaart.
Probeer maar eens, produceer vanaf nu eens vlot en zonder nadenken zinnen als ‘Morgen ik zal gaan naar mijn werk, zodat ik kan maken af dat project.’ Want dat is wat een anderstalige moet klaarspelen. Dat is wat mensen verwachten van anderstaligen die Nederlands leren, en waar die anderstaligen zo vaak op worden afgerekend. ‘Die kan geen Nederlands’, als er weer eens een zinsstructuur de mist in gaat.
En dat is zo jammer.
Aanmoedigen moeten we ze, die dapperen. Kleine en grotere fouten door de vingers zien en gewoon blij zijn dat ze de uitdaging aangaan. En kansen geven te oefenen, door met hen Nederlands te blijven spreken en niet onmiddellijk op Frans of Engels over te schakelen bij de eerste worsteling. Ze willen niet liever.

Advertenties