Een tweetal weken geleden deed ik mezelf een pleziertje door het boek ‘Taaltoerisme’, van Gaston Dorren, te bestellen. Ik volgde de auteur al even op Twitter, en ik vond zijn tweets, zijn taaljournaal en zijn website (http://) heel intrigerend. Het is de combinatie van vlotheid en juistheid die me bevalt. En daarom dacht ik: ‘Kom, laat ik dat boek eens bestellen.’
Wel, ik heb het nu gelezen, en ik heb spijt. Dat ik het niet al veel eerder had leren kennen. Het boekje bestaat uit 53 hoofdstukjes, 2 tot 4 bladzijden lang, die allemaal een aspect van een of meerdere Indo-Europese talen belichten, en nu doe ik het boekje onrecht aan. Dit klinkt namelijk vrij zwaar en saai, en dat zijn deze tekstjes nu net niet. Hoewel er taalkundig best ‘zware’ onderwerpen aan bod komen (over naamvallen, of aspecten van het werkwoord bijvoorbeeld), zijn de stukjes allemaal heerlijk licht, humoristisch en vlot geschreven. Glimlachen met alle mogelijke manieren om in het Italiaans een kleine vrouw aan te duiden (donnina, donnetta, doonicina, donnicciola, donnuccia, enz., afhankelijk van hoe lief, onnozel, … je haar vindt), medelijden hebben met die arme Bretoenen die amper in hun taal kunnen rekenen (achtenzeventig plus negenenvijftig wordt dan (3 x 6 + 3 x 20) x (7 + 1/2 x 100), waarbij de Bretoenen niet eens een woord hebben voor achttien en zestig), instemmend knikken bij de stelling dat Engels echt niks waard is als wereldtaal (‘Het Engels dat ze [Spanjaarden, Russen, Chinezen] horen, verstaan ze moeilijk; het Engels dat ze laten horen, is moeilijk te verstaan’) en met de kinderen in Monaco, die op school een taal moeten leren die bijna uitsluitend op school wordt gesproken, het Monegaskisch, meekreunen met die arme Azerbeidjanen (of Azeri’s) die op een eeuw tijd drie verschillende alfabetten in gebruik hadden (wat klagen wij dus over een lettertje meer of minder). En vooral de herkenning bij zijn stukje over zijn moedertaal, zijn Limburgse dialect, en de ontdekking als taalkundige dat hij als kind spontaan een pak dingen vanzelf heeft geleerd en dus gewoon wist, en in de praktijk dus tweetalig bleek te zijn. (‘Een tijdlang heb ik enigszins verbouwereerd door mijn eigen hoofd gedwaald – wat ik allemaal bleek te weten, zeg! Nooit geweten!’) Die openheid en verwondering waarmee hij zowat elke mogelijke (Indo-Europese) taal benadert, het is verfrissend in een tijd waarin je te pas en te onpas geconfronteerd wordt met verkrampte pogingen om het Nederlands te ‘beschermen’ en zo ‘zuiver’ mogelijk te houden. Het stukje ‘Het Onderelkaars en zijn buren’ (over hoe de Luxemburgers met hun taal en hun buurtalen omgaan) gaat daar overigens lijnrecht tegenin.
Eigenlijk is Taaltoerisme opgevat als een reisgids, waarmee je open en onbevangen met vreemde talen kunt kennismaken, net zoals een reiziger zich kan laten verrassen door nieuwe, onverwachte en mooie plekjes. Je kan het van voor naar achter lezen, maar Dorren heeft ook een hele reeks toeristische ‘routes’ voorzien: per taalfamilie (Germaans, Romaans,…), thematisch (historisch, schrift, politiek-maatschappelijk,…), geografisch (het hoge noorden, richting Afrika, de Balkan, …) en de Jenny-tocht, naar zijn co-auteur Jenny Audring.
Voor mij is het boek eerder een snoepjespot. Daar kan je ook op verschillende manieren van genieten: veel snoepjes kort na elkaar in je mond steken, of zo af en toe eentje. En je kan gewoon de snoepjes een voor een uit de pot nemen, maar je kan ook beslissen om eerst alle groene, en dan alle rode te nemen. Of eerst de gesuikerde snoepjes, en dan de zure. Of net op zoek gaan naar dat ene dropje dat ergens in het midden van die pot moet zitten. Het maakt allemaal niet uit, het blijft gewoon genieten.
Heb ik nu echt niets negatiefs te melden over dit boek? Jawel. Dat het te dun is. De snoepjes zijn veel te snel op ;-).

Advertenties