Afgelopen week heb ik bij wijze van test een enquête losgelaten op facebook. Enfin, enquête, ze bestond eigenlijk uit slechts twee vragen. Ik wilde hiermee een aantal dingen testen, voordat ik mijn echte, GROTE enquête lanceer. Omwille van die testfase heb ik het aantal invullers bewust laag gehouden (108), zodat ik gemakkelijker kan ‘spelen’ met de gegevens. Dat betekent natuurlijk wel dat er geen enkele conclusie uit getrokken kan worden die ook maar enige wetenschappelijke waarde heeft. Toch wil ik graag, voor degenen die de moeite hebben genomen om de enquête in te vullen, wat percentages geven.

– 64% van de invullers waren vrouw, 36% man. Komt het doordat ik zelf een vrouw ben, of door het medium facebook? Geen idee, maar dat moet ik in de gaten houden.
Ook in de categorieën leeftijd en opleiding is er een overwicht aan mensen die ongeveer dezelfde leeftijd en hetzelfde opleidingsniveau hebben als ikzelf (42% van de invullers waren dertigers, 25% veertigers, resp. 38% zijn masters/licentiaten, 39% hoger niet-universitair onderwijs).
– Driekwart van de invullers hebben dan weer geen taalopleiding gehad (wat in verhouding nog relatief weinig is), en meer dan 90 procent is Vlaming. Dat is prima, want het is uiteindelijk de bedoeling dat de perceptie van de Nederlandse taalvarianten door Vlamingen wordt onderzocht.

En dan nu de vragen zelf. Opnieuw, met een steekproef die uit 108 mensen bestaat, vallen hier geen wetenschappelijk onderbouwde conclusies uit te trekken. Toch zijn er enkele interessante zaken komen bovendrijven.
De eerste vraag ging over de meest correcte definitie van standaardtaal. Een nipte meerderheid (51%) koos voor de tweede definitie (‘Een standaardtaal is een taal met strikt vastgelegde regels en normen, maar waar in de praktijk lichte variatie mogelijk is. Mensen die af en toe een beetje van die regels afwijken, ook systematisch, spreken nog steeds standaardtaal.’). Hierop volgt, met 34%, de meest flexibele definitie, waarbij je kan stellen dat de standaardtaal gelijkgesteld wordt met een algemeen gangbare spreektaal (‘Een standaardtaal is een taal die bijna iedereen uit het taalgebied begrijpt. Er zijn normen en regel, maar die moeten eerder als richtlijnen geïnterpreteerd worden dan als absoluut te volgen regels.’). 15% ten slotte koos voor de meest strikte definitie (‘Een standaardtaal is een taal met strikt vastgelegde regels en normen. Mensen die hiertegen fouten maken, spreken geen standaardtaal’). Ik was hierdoor verrast, ik had niet verwacht dat de verdeeldheid hierover zo groot zou zijn, zelfs binnen deze beperkte steekproef. Het loont in ieder geval de moeite deze vraag in de definitieve enquête op te nemen.
In de tweede vraag wilde ik nagaan welke benaming voor de variant (of beter, varianten) tussen de standaardtaal en het dialect (of zelfs regiolect) bruikbaar is voor de rest van mijn onderzoek. Van alle mogelijkheden die ik suggereerde, scoorde ‘tussentaal’ heel goed (42%), gevolgd door Vlaams (29%) en Verkavelingsvlaams (19,6%). Blijkbaar is de term ‘tussentaal’ dus toch al vrij goed doorgedrongen, ten minste in mijn groepje informanten.

De start is genomen. Nu het èchte werk.

Advertenties